ECLI:NL:RBDHA:2020:8733
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende middelenvereiste
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende persoon, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn echtgenote (referente) in Nederland te verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat de referent niet voldeed aan het middelenvereiste, aangezien haar inkomen onder het normbedrag lag. Eerder had de rechtbank een eerdere afwijzing vernietigd vanwege onvoldoende individuele beoordeling, waarna verweerder een nieuw besluit nam.
In het bestreden besluit handhaafde verweerder de afwijzing, stellende dat de referent niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen beschikt. Eiser voerde aan dat de referent sinds december 2018 in dienst was bij een werkgever met uitzicht op een vast dienstverband en voldoende inkomen, en dat het beroep op het arrest Chakroun een concrete beoordeling van de individuele situatie vereist. Tevens stelde eiser dat het onthouden van de mvv zou leiden tot schending van artikel 8 EVRM Pro, mede vanwege de medische situatie van het kind van de referent.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht had gemotiveerd dat het inkomen van de referent structureel onder het normbedrag lag en dat verweerder een concrete beoordeling had gemaakt conform Chakroun en Khachab. De stellingen van eiser en referent waren onvoldoende onderbouwd met objectief bewijs. Ook de belangenafweging tussen het gezinsleven en het Nederlandse vreemdelingenbeleid was zorgvuldig gemaakt. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende en niet duurzaam inkomen van de referent.