ECLI:NL:RBDHA:2020:8813
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid bij bezwaar tegen afwijzing visum kort verblijf door Zwitserse ambassade
Eiseres diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf bij de Zwitserse ambassade, die deze aanvraag afwees. Vervolgens richtte eiseres zich met een bezwaar tot de minister van Buitenlandse Zaken, die zich onbevoegd verklaarde het bezwaar te behandelen omdat de Zwitserse autoriteiten de beslissing hadden genomen. De rechtbank moest eerst beoordelen of zij bevoegd was het beroep tegen deze onbevoegdheidsmededeling te behandelen en oordeelde dat dit wel het geval was, aangezien het een besluit betreft dat rechtsgevolg heeft.
De rechtbank overwoog dat Nederland op grond van een bilaterale regeling de bevoegdheid tot het beslissen op visumaanvragen volledig aan Zwitserland heeft overgedragen. Hierdoor is de minister van Buitenlandse Zaken niet bevoegd om het bezwaar te behandelen. Tevens werd geoordeeld dat het instellen van beroep in Zwitserland niet in strijd is met het recht op effectieve rechtsbescherming zoals neergelegd in artikel 47 van Pro het Handvest van de Europese Unie.
Ten aanzien van de stelling dat de hoorplicht was geschonden, stelde de rechtbank vast dat het horen in deze procedure niet noodzakelijk was omdat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de onbevoegdheidsmededeling van de minister is ongegrond verklaard.