ECLI:NL:RBDHA:2020:8862

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2020
Publicatiedatum
11 september 2020
Zaaknummer
AWB 20/455
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 lid 3 AwbRichtlijn 2003/96/EGHandvest van de Grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende identiteitsvaststelling

Eiser, van Eritrese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van nareis bij zijn partner (referente) die reeds een zelfstandige verblijfsvergunning asiel bezit. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens onvoldoende vaststelling van de identiteit van eiser en het ontbreken van bewijs voor een duurzame en exclusieve relatie en het gezamenlijk hebben van een kind.

Eiser stelde dat zijn identiteit wel degelijk was aangetoond met een kopie van zijn identiteitsbewijs en dat de afwijzing op dat punt niet gemotiveerd was. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris in bezwaar een nieuwe afwijzingsgrond had ingebracht zonder deze voldoende te motiveren en zonder eiser in de gelegenheid te stellen hierop te reageren, wat in strijd is met de Awb.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens dit motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de identiteit van eiser niet was komen vast te staan en eiser geen aanvullend bewijs had geleverd. De overige beroepsgronden werden niet inhoudelijk beoordeeld omdat deze geen andere uitkomst zouden geven.

De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent identiteit, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/455
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 30 juni 2020 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Eritrese nationaliteit,
V-nummer: [#] ,
eiser
(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. L.J.L. Leijtens).

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “nareis bij [naam] (referente)” afgewezen.
Eiser heeft op 20 januari 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn bezwaarschrift.
Bij besluit van 2 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft aangegeven dat zijn beroep zich thans richt tegen het bestreden besluit en heeft de gronden daartegen ingediend.
Verweerder heeft op 28 mei 2020 een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2020. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens is referente verschenen. Als tolk is verschenen G. Ogbamichael.

Overwegingen

Referente is door middel van nareis bij haar moeder naar Nederland gekomen. Inmiddels is zij in het bezit van een zelfstandige verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 21 augustus 2018 heeft referente de onderhavige aanvraag ten behoeve van eiser ingediend. Op de aanvraag is aangegeven dat eiser de ongehuwde partner is van referente. Eiser en referente stellen samen een kind te hebben.
Verweerder heeft de aanvraag van eiser, zoals blijkt uit het bestreden besluit, afgewezen omdat zijn identiteit niet kan worden vastgesteld. Daarnaast is er volgens verweerder geen sprake van een duurzame en exclusieve relatie die al bestond voordat referente naar Nederland kwam. Eiser en referente hebben ook niet aangetoond dat zij samen een kind hebben. Verweerder stelt op basis hiervan niet gehouden te zijn nader onderzoek te verrichten. De nareisaanvraag ziet daarnaast op referente en niet op zijn gestelde in Nederland verblijvende kind. De belangen die Richtlijn 2003/96/EG, het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en het arrest E. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (ECLI:EU:C:2019:192) beogen te beschermen zijn in het onderhavige geval dan ook niet aan de orde.
Eiser voert aan dat verweerder hem eerst in het bestreden besluit heeft tegengeworpen dat zijn identiteit niet vast zou staan. Hij gaat er dan ook van uit dat dit verkeerd ‘knip- en plakwerk’ van verweerder is. Indien verweerder dit wel als nieuwe afwijzingsgrond in bezwaar heeft bedoeld, dan had verweerder dit moeten motiveren en had verweerder eiser en referente daarover moeten horen.
Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat hij bij zijn aanvraag een kopie heeft overgelegd van zijn identiteitsbewijs. In het primaire besluit heeft verweerder daar niets over gezegd en ook in het bestreden besluit legt verweerder niet uit waarom de overgelegde kopie niet voldoende zou zijn. Eiser is in Ethiopië erkent als vluchteling. Het origineel van zijn identiteitsdocument kan eiser komen tonen op de ambassade. Hij kan het uiteraard niet opsturen, omdat hij het document zelf nodig heeft om zich te kunnen identificeren.
4. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting gesteld dat bewust in het bestreden besluit is opgenomen dat eisers identiteit niet is komen vast te staan. In het primaire besluit is dit per abuis niet opgenomen, maar deze omissie is in bezwaar hersteld. De tijdelijke identiteitsverklaring die eiser heeft overgelegd, acht verweerder ontoereikend. Verweerder heeft in dit verband gewezen op de voorwaarden in werkinstructie 2019/15. Volgens verweerder heeft hij eiser hierover niet hoeven te horen, omdat de andere afwijzingsgrond het besluit zelfstandig kan dragen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de volledige heroverweging die verweerder in bezwaar verricht kan hij eiser in bezwaar een nieuwe of andere afwijzingsgrond tegenwerpen. In dit geval heeft verweerder in het bestreden besluit opgenomen dat eisers identiteit nog niet is komen vast te staan. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder dit, zoals eiser terecht heeft gesteld, niet heeft gemotiveerd. Verweerder was daar naar het oordeel van de rechtbank wel toe gehouden, zeker nu hij eiser dit in het primaire besluit nog niet had tegengeworpen. Ook had het op verweerders weg gelegen eisers in de gelegenheid te stellen zich over deze nieuwe tegenwerping uit te laten, voordat verweerder op het bezwaar zou beslissen. Dit had bijvoorbeeld schriftelijk, telefonisch of via een hoorzitting kunnen gebeuren. Anders dan verweerder in het verweerschrift stelt is de rechtbank niet gebleken dat verweerder eiser deze mogelijkheid heeft geboden.
5.1
Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en Pro 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb in stand te laten, nu verweerder de afwijzingsgrond met betrekking tot eisers identiteit alsnog voldoende heeft gemotiveerd in het verweerschrift en ter zitting. Zoals verweerder terecht heeft gesteld is de overgelegde kopie onvoldoende om eisers identiteit te kunnen onderbouwen. Ook in beroep heeft eiser geen nadere stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit of een nadere uitleg gegeven over zijn mogelijkheden om zijn identiteit aan te tonen.
6. Nu eisers identiteit niet is komen vast te staan en ook niet is gebleken dat hij in bewijsnood verkeert, kan hij reeds hierom niet in aanmerking komen voor de gevraagde mvv. De rechtbank komt derhalve niet toe aan de beoordeling van eisers overige beroepsgronden die zien op de duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en referente en hetgeen is aangevoerd omtrent de belangen van het kind. Dit zal gelet op het voorgaande niet tot een andere uitkomst leiden.
7. Verweerder dient het door eiser betaalde griffierecht van € 178,- te vergoeden.
8. Gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek ziet de rechtbank wel aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft gemaakt, te weten de kosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op
€ 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen geheel in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 1.050,-;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht van € 178,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Terborg-Wijnaldum, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Schaap-Huijsmans, griffier, op 30 juni 2020.
griffier rechter
afschrift verzonden aan partijen op:
Coll:
Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, in het openbaar uitgesproken.

Rechtsmiddel