ECLI:NL:RBDHA:2020:8875
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet
Verzoeker, van Guinese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening omdat hij op 24 juli 2020 de opvanglocatie moest verlaten.
Het Bureau Medische Advisering (BMA) bracht een advies uit op basis van medische informatie van de huisarts van verzoeker. Dit advies concludeerde dat verzoeker weliswaar psychische klachten heeft, maar in staat is om te reizen en dat er geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro door medische redenen.
Verzoeker stelde dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was, dat hij medisch niet in staat was te reizen en dat het BMA-advies onzorgvuldig was omdat hij niet door een arts was onderzocht. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had, omdat verzoeker onvoldoende concrete aanknopingspunten gaf om het BMA-advies te betwijfelen.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en wees tevens het verzoek om griffierechtvrijstelling toe. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.