ECLI:NL:RBDHA:2020:8876
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning bij partner en verblijfsgat niet onrechtmatig
Eiser had een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn echtgenote, die met terugwerkende kracht tot 27 april 2018 werd ingetrokken omdat de relatie was verbroken. Eiser maakte bezwaar en stelde dat hij recht had op verblijf vanwege het gezinsleven met zijn minderjarige zoon en verwees naar het arrest Chavez-Vilchez.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij betrokken was bij de verzorging en opvoeding van zijn zoon in de periode van het verblijfsgat tussen 27 april 2018 en 23 oktober 2019. Verweerder mocht het algemeen belang zwaarder wegen dan het persoonlijke belang van eiser.
Het beroep op artikel 8 EVRM Pro en het Chavez-Vilchez-arrest slaagde niet omdat er geen bewijs was dat de zoon volledig van eiser afhankelijk was voor opvoeding. De rechtbank vond het intrekken van de vergunning niet leiden tot een onevenredig nadeel, ook niet met het oog op een toekomstige naturalisatieaanvraag.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter Schaaf op 24 juli 2020 en is niet openbaar uitgesproken vanwege coronamaatregelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.