ECLI:NL:RBDHA:2020:9020
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vader tot behoud uitvoering ondertoezichtstelling bij regulier jeugdbeschermingsteam
De vader verzocht de kinderrechter te bepalen dat de uitvoering van de ondertoezichtstelling van zijn minderjarige dochter onder het reguliere jeugdbeschermingsteam zou blijven vallen en niet zou worden overgedragen aan Team Veiligheid JB. De gecertificeerde instelling had de uitvoering op 14 juli 2020 aan Team Veiligheid JB overgedragen. De vader vreesde dat deze overdracht een onterecht negatief stempel op hem en zijn dochter zou leggen en betwistte de beschuldigingen die aan deze beslissing ten grondslag lagen.
De kinderrechter nam kennis van de stukken, waaronder het verzoekschrift, het plan van aanpak en het verslag van de ondertoezichtstelling. Tijdens de zitting bleek dat de communicatie tussen vader en jeugdzorg moeizaam was verlopen, met waarschuwingen aan de vader vanwege zijn gedrag. De gecertificeerde instelling stelde dat het binnen haar beleidsvrijheid valt om de uitvoering toe te bedelen aan Team Veiligheid JB en dat er sinds de overdracht contact was geweest met de vader.
De kinderrechter oordeelde dat het geschil ontvankelijk was en dat de overdracht binnen de bevoegdheid van de gecertificeerde instelling viel. Er was geen sprake van onredelijke vertraging of wijziging in de doelen van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter riep de vader op tot positieve communicatie met de huidige jeugdbeschermers om het contact met zijn dochter te herstellen. Het verzoek van de vader werd afgewezen en de beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het verzoek van de vader om de uitvoering van de ondertoezichtstelling bij het reguliere jeugdbeschermingsteam te laten, wordt afgewezen.