Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 september 2020 in de zaak tussen
[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), beiden te [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie), Staat.
Procesverloop
Overwegingen
De periode tussen de ontvangst van de beroepschriften door de rechtbank op 7 november 2017 tot de tussenuitspraak op 2 april 2020 heeft twee jaar en ruim vier maanden in beslag genomen. De rechtbank heeft ruim drie maanden na ontvangst van de mededeling van verweerder van 19 juni 2020 van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak gedaan. Dat betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van de Staat komt.
In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Dit leidt in het onderhavige geval, waarbij sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 22 maanden, tot een schadevergoeding van vier maal € 500,-, in totaal € 2.000,-. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan beide verzoekers tot een bedrag van € 1000,- en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan elk van de verzoekers tot een bedrag van € 1000,-.