Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel na te zijn verkracht en vervolgens beschuldigd te zijn van deze verkrachting. Hij vreesde voor zijn veiligheid vanwege de vader van het slachtoffer, een politiefunctionaris, en voor mensenhandelaren in Italië en Nigeria. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de vrees voor de politiefunctionaris en liet de vrees voor mensenhandelaren buiten beschouwing.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris niet zonder meer mocht afgaan op het OM-besluit tot sepot wegens gebrek aan rechtsmacht, maar de verklaringen van eiser over mensenhandel en de daaraan verbonden vrees had moeten onderzoeken. Daarnaast acht de rechtbank de tegenwerpingen over de geloofwaardigheid van de verklaringen over de politiefunctionaris terecht, omdat eiser onvoldoende concrete details kon geven en niet tegen de bezwaren was opgekomen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de staatssecretaris op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden proceskosten aan eiser toegekend.