Eiser heeft een ingebrekestelling ingediend terwijl de beslistermijn nog liep, waardoor deze prematuur was. Verweerder, het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, had het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard in het bestreden besluit, dat onvoldoende was gemotiveerd.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit vernietigd moest worden vanwege het gebrek aan inhoudelijke motivering, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand konden blijven. De rechtbank wees het beroep op schending van de hoorplicht af omdat er geen redelijk vermoeden bestond dat het horen tot een ander besluit zou leiden.
De procedure kende een verzet tegen een eerdere niet-ontvankelijkverklaring, dat gegrond werd verklaard. De rechtbank stelde eiser vrij van griffierecht wegens betalingsonmacht. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift liep tot 17 oktober 2018, en de beslistermijn liep tot 27 december 2018, waardoor de ingebrekestelling op 27 december 2018 prematuur was.
De uitspraak werd gedaan door rechter M.P. Verloop op 30 september 2020, met griffier J.P. Brand. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.