ECLI:NL:RBDHA:2020:9467

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 september 2020
Publicatiedatum
29 september 2020
Zaaknummer
NL20.16772
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 59c Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000Besluit Videoconferentie (Stb. 2006, 275)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in terugkeerprocedure wegens ontbreken gemotiveerde betwisting

Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het ontbreken van geldige verblijfs- en reisdocumenten en het niet naleven van vertrekverplichtingen. Verweerder heeft de maatregel opgelegd met het oog op het verkrijgen van gegevens voor de beoordeling van een asielaanvraag.

Eiser betwist uitsluitend de lichte grond dat hij niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. De rechtbank constateert dat eiser de zware gronden, waaronder het niet opvolgen van een vertrekbevel, niet gemotiveerd heeft betwist. Eiser erkent dat hij de asielprocedure enkel entameert om via een Dublin-overdracht terug te keren naar Frankrijk, waar hij jarenlang verbleef, en niet om in Nederland asiel te verkrijgen.

De Franse autoriteiten hebben verzoeken van verweerder om terugname van eiser op grond van de Benelux-overeenkomst afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de asielaanvraag niet dient om verblijf in Nederland te verkrijgen maar om terugkeer naar Frankrijk te bewerkstelligen, waardoor de maatregel van bewaring terecht is opgelegd.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.16772

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.M. Van Gils).

Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De zaak is behandeld op de zitting van 21 september 2020, waar eiser overeenkomstig het
Besluit Videoconferentie (Stb. 2006, 275) vanaf zijn plaats van detentie per
videoconferentie is gehoord op zijn beroep en ter zitting is bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als
zware grondenvermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als
lichte grondenvermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser
(1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn,
(2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en
(3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3. Verweerder heeft ter zitting de zware gronden onder 3b en 3c laten vallen en alle andere gronden gehandhaafd. Eiser heeft –uitsluitend- de lichte grond onder 4d betwist.
4. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder bevoegd is gronden die aan deze maatregel van bewaring ten grondslag liggen integraal te handhaven, ook als die gronden bij de (eerdere) behandeling ter zitting van het beroep tegen de eerste maatregel niet langer zijn gehandhaafd.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de grond de grond 59b, eerste lid, onder c Vw niet gemotiveerd heeft betwist. In reactie op hetgeen verweerder ter zitting heeft aangegeven heeft gemachtigde van eiser verklaard dat verweerder niet kan tegenwerpen dat eiser “opeens” asiel aanvraagt omdat een asielaanvraag wellicht mogelijkheden biedt voor eiser om terug te keren naar Frankrijk op grond van de Dublinverordening. Eiser wil terugkeren naar Frankrijk waar hij gedurende ruim twintig jaren heeft verbleven. Eiser was op de dag dat hij in Nederland in de Flixbus zonder geldige verblijfs- en reisdocumenten is aangetroffen enkel van plan zijn kinderen in Nederland op te halen en direct terug te keren naar Frankrijk. Verweerder heeft tweemaal de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van de zogenaamde Benelux-overeenkomst maar de Franse autoriteiten hebben beide verzoeken afgewezen en staan eiser niet toe Frankrijk in te reizen. Eiser heeft aangegeven dat hij inschat dat de kans dat zijn asielverzoek in Nederland wordt ingewilligd niet heel groot is maar dat hij hoopt dat hij door een Dublin-overdracht toch terug kan naar Frankrijk omdat hij niet wil terugkeren naar Congo. De rechtbank overweegt dat deze opmerkingen niet als gemotiveerde betwisting kunnen dienen maar veeleer kwalificeren als onderbouwing van deze grond van de maatregel. Een asielaanvraag dient immers om te kunnen laten beoordelen en toetsen of aanspraak op bescherming en daarmee verblijf bestaat. Eiser erkent nu juist dat hij een asielaanvraag indient enkel om zodoende terug te kunnen keren naar Frankrijk en daarmee gedwongen vertrek naar zijn land van herkomst te voorkomen. Met deze intentie een asielprocedure entameren wijst er dus inderdaad op dat eiser geen verblijf op asielrechtelijke gronden in Nederland beoogt. De stelling ter zitting van gemachtigde van eiser dat deze proces-strategie in overleg met de regievoerder van DT&V is geschied is niet onderbouwd en ook weinig relevant omdat dit nimmer kan leiden tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd. Overigens heeft verweerder ter zitting genoegzaam uitgelegd dat DT&V geen bemoeienis heeft met de asielprocedure maar alleen moet bewerkstelligen dat eiser op zijn aanvraag gehoord kan worden en overigens weinig waarschijnlijk is dat er een Dublin-claim zal worden gelegd. De rechtbank wijst er in dit verband op dat indien sprake zou zijn geweest van een EU-vis-treffer of Eurodac-treffer verweerder –in beginsel- eiser op de zogenaamde Dublin-grond in bewaring had moeten stellen. Verweerder heeft echter na afwijzing van het verzoek om heroverweging door de Franse autoriteiten een terugkeerbesluit uitgevaardigd. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder het niet mogelijk acht om eiser op grond van de Dublinverordening te claimen.
6. De rechtbank overweegt dat de maatregel van bewaring reeds mag worden opgelegd als sprake is van de situatie zoals beschreven in artikel 59c, eerste lid, onder c Vw. De rechtbank acht het niet opportuun om in deze procedure te beoordelen of verweerder de lichte grond onder 4d aan de maatregel ten grondslag mag leggen. De rechtbank heeft in het ambtshalve onderzoek geen onrechtmatigheden die tot opheffing van de maatregel zouden moeten leiden geconstateerd.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.W.M. Bankers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.