Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de dagvaarding van 7 juni 2019 met producties 1 tot en met 18;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12;
- het tussenvonnis van 2 oktober 2019, waarin een comparitie van partijen is bevolen;
- de rolbeschikking van 20 mei 2020, waarin is bepaald dat de procedure – in verband met de vanwege COVID-19 door de rechtspraak getroffen maatregelen en overeenkomstig de eenstemmige keuze van partijen – schriftelijk (zonder mondelinge behandeling) zal worden voortgezet;
- de schriftelijke toelichting van de vader, tevens inhoudende een reactie op de schriftelijke toelichting van [gedaagde] en de door hem ingediende producties;
- de schriftelijke toelichting van [gedaagde] , tevens inhoudende een reactie op de schriftelijke toelichting van de vader en de door hem ingediende producties.
2.De feiten
3.Het geschil
in conventie en in reconventie
- met ingang van 17 oktober 2018, dan wel met ingang van 1 januari 2019, op nihil;
- met ingang van 1 mei 2019 op € 72 per maand, zolang [gedaagde] in overleg met de vader en met goed resultaat een studie of opleiding volgt voor één (gestarte) studie;
- een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
- vast te stellen dat de vader een achterstallige onderhoudsverplichting heeft van € 7.761 tot en met augustus 2019, die de vader binnen twee weken na betekening van dit vonnis moet voldoen;
- vast te stellen dat de vader de onderhoudsbijdrage moet betalen tot het moment dat [gedaagde] zijn stage heeft afgerond (december 2019);
- de vader veroordelen in de proceskosten.