ECLI:NL:RBDHA:2021:10219
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning regulier wegens beëindiging samenwoning met partner
Eiser beschikte sinds 2012 over een verblijfsvergunning regulier met het doel verblijf bij partner, geldig tot 2023. Verweerder trok deze vergunning in per 28 oktober 2019, omdat eiser niet langer samenwoonde met zijn partner. Zowel eiser als zijn ex-partner bevestigden de beëindiging van de relatie en het stoppen van de gezamenlijke huishouding.
Eiser betwistte de intrekking en voerde aan dat de intrekking met terugwerkende kracht onrechtvaardig was en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder terecht de vergunning introk, omdat niet langer werd voldaan aan de voorwaarden van de vergunning. De rechtbank stelde vast dat verweerder mocht afzien van het horen van eiser in bezwaar, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en eiser geen concrete persoonlijke omstandigheden had aangevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.