ECLI:NL:RBDHA:2021:10253
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen schorsing rijbewijs wegens vermoedelijk rijden onder invloed van lachgas
Verzoeker is op 7 november 2020 staande gehouden door de politie in Den Haag wegens het vermoeden van rijden onder invloed van een andere stof, namelijk lachgas. Bij de controle werden twee opgeblazen ballonnen in zijn handen gezien, waarvan één aan zijn mond zat, en werd vastgesteld dat hij slingerend reed. In zijn voertuig werden meerdere lachgastanks en gebruikte ballonnen aangetroffen.
Verweerder, het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), heeft verzoeker verplicht mee te werken aan een onderzoek naar drugsgebruik en zijn rijbewijs geschorst tot de uitslag van dat onderzoek. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat het niet noodzakelijk is dat daadwerkelijk is vastgesteld dat verzoeker onder invloed was, maar dat het voldoende is dat het aannemelijk is. De politieverklaring en de omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden van rijden onder invloed. Verzoeker heeft niet weersproken dat hij met ballonnen in de hand en één aan zijn mond reed en slingerend achter het politievoertuig aanreed.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verweerder terecht een onderzoek heeft opgelegd en het rijbewijs heeft geschorst. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de schorsing van het rijbewijs wordt afgewezen.