ECLI:NL:RBDHA:2021:10332

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 september 2021
Publicatiedatum
21 september 2021
Zaaknummer
C/09/607883 / JE RK 21-325
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen wegens kwetsbaar gezinssysteem

De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, geboren in 2019 en 2020, die sinds juli 2021 met hun ouders verblijven bij een instelling (Gemiva) waar toezicht en begeleiding wordt geboden.

De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling hebben het verzoek tot verlenging ingediend omdat ondanks inzet van de ouders en betrokken hulpverlening, er nog zorgen zijn over het kwetsbare systeem, het beperkte inzicht en functioneren van de ouders, en de ontwikkeling van de kinderen. De ouders werken mee maar vinden het moeilijk om hun aandeel in problemen te erkennen en gedragsverandering verloopt moeizaam.

De vader heeft verweer gevoerd via zijn advocaat, stellende dat de ouders meewerken en dat de ondertoezichtstelling geen meerwaarde heeft, en verzoekt afwijzing of een kortere duur.

De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn en dat verlenging noodzakelijk is om de ontwikkeling van de kinderen te waarborgen en de overgang naar vrijwillige hulpverlening te begeleiden. De duur wordt vastgesteld op vier maanden, van 16 september 2021 tot 16 januari 2022.

De beschikking is mondeling gegeven op 1 september 2021 en schriftelijk vastgesteld op 13 september 2021. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden door belanghebbenden.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de twee minderjarige kinderen wordt verlengd voor vier maanden tot 16 januari 2022.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/607883 / JE RK 21-325
Datum uitspraak: 1 september 2021

Beschikking van de kinderrechter

Ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 18 februari 2021 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden(hierna te noemen: de Raad),
betreffende:
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2019 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats 2]
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man]

hierna te noemen: de vader,
en
[de vrouw]
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. N. van Amsterdam, te Leiden,

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

Bij beschikking d.d. 16 maart 2021 van de kinderrechter in deze rechtbank zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van 16 maart 2021 tot 16 september 2021 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
  • voornoemde beschikking d.d. 16 maart 2021;
  • de update van de gecertificeerde instelling d.d. 18 augustus 2021.
Op 1 september 2021 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:
  • mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;
  • mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
De moeder is conform de wettelijke vereisten opgeroepen, maar niet verschenen.

Verzoek en verweer

Het aangehouden deel van het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden.
Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. Het gezin woont sinds juli 2021 bij Gemiva waar ze kunnen laten zien hoe het gaat als ze bij elkaar wonen. De ouders zetten zich goed in voor de hulpverlening, maar de kinderen vragen veel en het blijft een kwetsbaar systeem. Verlenging van de ondertoezichtstelling is nodig zodat er een jeugdbeschermer kan blijven meekijken en het gezin kan ondersteunen. De komende periode moet worden gekeken of de hulpverlening kan worden overgedragen naar het vrijwillige kader.
De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek van de Raad. De ouders zetten zich in voor de hulpverlening en willen in het belang van de kinderen handelen, maar hebben daar nog hulp bij nodig. Er is veel hulpverlening betrokken, maar er zijn nog zorgen door de beperking van de ouders en de problematiek van de kinderen. De ouders kunnen conflicten hebben en vinden het nog lastig om hun eigen aandeel binnen een probleem te zien waardoor gedragsverandering soms moeizaam tot stand komt. Daarnaast zijn er nog zorgen over het beperkte inzicht van de ouders, hebben de ouders moeite om de juiste keuzes te maken en hebben ze een gebrek aan inzicht in onder andere hun financiën, waardoor de kinderen niet altijd krijgen wat ze nodig hebben. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is nodig om de komende periode te kijken hoe het bij Gemiva gaat en om te onderzoeken wat er nog nodig is om de overstap naar het vrijwillige kader te kunnen maken.
De vader heeft, mede bij monde van zijn advocaat, verweer gevoerd. De advocaat heeft naar voren gebracht dat met name de moeder door haar verleden veel stress krijgt van het gedwongen kader, omdat ze bang is dat de kinderen uit huis zullen worden geplaatst. De ouders werken aan alles mee en wonen binnen Gemiva waar zicht is op de kinderen en hun veiligheid voldoende is gewaarborgd. De ouders zullen ook in het vrijwillige kader aan alles blijven meewerken. De ondertoezichtstelling heeft geen meerwaarde en de ouders verzoeken daarom om het aangehouden deel van het verzoek af te wijzen dan wel voor een kortere periode toe te wijzen.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn.
De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bestaan uit het hierna volgende. De ouders verblijven sinds kort bij Gemiva waar toezicht en begeleiding op de ontwikkeling van de kinderen is. De ouders hebben stappen gezet en werken mee aan de hulpverlening, maar de positieve ontwikkeling is nog pril en er zijn nog zorgen over de beperkingen van de ouders en het functioneren van het gezin. De ouders kunnen nog snel in de verdediging schieten en het lukt hen nog niet altijd om de juiste keuzes te maken in het belang van de kinderen. Daarnaast zijn er nog zorgen over de beperking en ontwikkeling van [minderjarige 1] . De kinderrechter is daarom van oordeel dat verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Ten aanzien van de duur overweegt de kinderrechter als volgt. De komende periode moet worden gekeken hoe het verblijf bij Gemiva verloopt en wat er nog nodig is om de overstap naar het vrijwillige kader te kunnen maken. De ouders moeten een eerlijke kans krijgen om te laten zien dat ze blijven meewerken aan de hulpverlening en de gestelde doelen, en dat zij binnen het vrijwillige kader van hulpverlening voor de kinderen kunnen zorgen. De kinderrechter acht de duur van vier maanden hiervoor passend en zal het verzoek voor het overige afwijzen.
Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 16 september 2021 tot 16 januari 2021 onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2021 door mr. A.J. Japenga, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 13 september 2021.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.