Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2021:10333

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 september 2021
Publicatiedatum
21 september 2021
Zaaknummer
C/09/609675 / JE RK 21-717
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in pleegzorg

De kinderrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 1 september 2021 besloten de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige te verlengen tot 7 december 2021, de duur van de ondertoezichtstelling. Dit volgt op een eerder besluit van 4 mei 2021 waarbij de minderjarige uit huis werd geplaatst.

De verlenging is gebaseerd op het feit dat ondanks positieve inzet van de ouders, er nog onvoldoende zicht is op hun opvoedvaardigheden en de situatie nog niet stabiel en veilig genoeg is om de minderjarige terug te plaatsen. De vader is opgenomen geweest in een verslavingskliniek en stopt met harddrugs, maar er blijven zorgen over het gebruik van wiet en Tramadol. Ook is er sprake van agressiviteit en beperkte probleeminzicht bij de ouders en familie.

De kinderrechter weegt mee dat begeleide omgangsmomenten goed verlopen, maar dat de risico's voor de veiligheid van de minderjarige prevaleren. Er wordt een intake gepland bij Cardea om de opvoedkwaliteiten nader te onderzoeken. De ouders verzetten zich tegen de verlenging en wijzen op beschermende factoren en hun inzet, maar de rechter acht terugplaatsing nog niet verantwoord.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld via de griffie van het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 7 december 2021.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/609675 / JE RK 21-717
Datum uitspraak: 1 september 2021

Beschikking van de kinderrechter

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 26 maart 2021 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, verder: de gecertificeerde instelling,

betreffende:

[minderjarige] geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man]

hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.B.J. Hiemstra, gevestigd te Haarlem,
en

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,
beiden wonende te [woonplaats] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders.

Het procesverloop

Bij beschikking d.d. 4 mei 2021 van de kinderrechter in deze rechtbank is een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 9 mei 2021 tot 7 september 2021 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
  • voornoemde beschikking d.d. 4 mei 2021;
  • de update van het LET d.d. 26 augustus 2021.
Op 1 september 2021 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:
  • de [vertegenwoordigers van het let-team] namens het LET;
  • de ouders, bijgestaan door de advocaat.
Ter zitting heeft de advocaat van de vader aanvullende stukken overhandigd.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 7 december 2021.
Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. De afgelopen periode is er aan gewerkt om de begeleide omgang voor de vader weer opgestart te krijgen en om meer zicht te krijgen of de ouders voldoende in staat zijn om voor [minderjarige] te kunnen gaan zorgen. De vader is opgenomen in een verslavingskliniek en is hij gestopt met harddrugs. Hij laat zich wekelijks controleren en de testen zijn negatief. Wel zijn er nog zorgen omdat de vader positief getest is op wiet en al lang Tramadol slikt, wat ook verslavend is. Daarnaast bagatelliseren de ouders en de grootouders de zorgen en kan de vader nog onduidelijk blijven in de verhalen die hij vertelt of agressief reageren. Cardea zal gaan kijken naar de opvoedkwaliteiten van met name de moeder maar ook de rest van het gezin. De intake zal binnenkort, in september, plaatsvinden. Hierbij zal worden gekeken of er gestart kan worden met een onderzoek. De begeleide omgangsmomenten gaan goed, maar dat weegt niet op tegen de risico’s die er zijn met betrekking tot de agressiviteit van de vader, het beperkte probleeminzicht van de ouders en de familie, de persoonlijke problematiek en de problemen ten aanzien van de schulden en de huisvesting. Hierdoor is het nog onvoldoende veilig om [minderjarige] op dit moment terug te plaatsen bij de ouders en de grootouders. De komende periode zal gekeken moeten worden of de ouders binnen afzienbare tijd voldoende stabiliteit kunnen creëren voor [minderjarige] .
De ouders hebben, mede bij monde van de advocaat, verweer gevoerd. De vader heeft verklaard dat hij opgenomen is geweest bij Fivoor en alles heeft gedaan wat de hulpverlening van hem vroeg. Hij heeft zijn schulden geregeld en heeft heel lang behandeling gehad voor zijn PTSS en krijgt daar medicatie voor. Er zijn geen problemen meer tussen de ouders en [minderjarige] kan veilig thuis wonen. De moeder heeft verklaard dat ze een baan heeft gevonden en dat de ouders voor [minderjarige] kunnen zorgen. De advocaat heeft namens de ouders het volgende naar voren gebracht. De grootouders zijn een beschermende factor ten aanzien van de opvoeding. De ouders doen wat de hulpverlening van hen vraagt, maar [minderjarige] wordt nog steeds niet thuis geplaatst waardoor de ouders het vertrouwen beginnen te verliezen. Daarnaast maken de ouders zich zorgen over de gezondheid van [minderjarige] in het pleeggezin omdat ze vaak ziek is. Hierdoor gaat de omgang regelmatig niet door. De ouders verzoeken daarom afwijzing van het verzoek. Indien de verlenging wordt toegewezen is het van belang dat de komende periode wordt gebruikt om een situatie te creëren waarin [minderjarige] naar huis kan.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn.
Daarbij overweegt de kinderrechter dat de ouders zich de afgelopen periode weliswaar positief hebben ingezet om te werken aan de gestelde doelen van de hulpverlening, maar dat er nog onvoldoende zicht is op de opvoedvaardigheden van de ouders waardoor de situatie nog onvoldoende stabiel en veilig is om [minderjarige] weer terug te kunnen plaatsen. De intake bij Cardea zal op 13 september plaatsvinden en daarna zal door de hulpverlening gekeken moeten worden naar de mogelijkheden voor wat betreft de thuisplaatsing en welke stappen er nog gezet moeten worden om [minderjarige] weer bij de ouders te kunnen plaatsen. Het is hierbij heel belangrijk dat er, gelet op de zeer jonge leeftijd van [minderjarige] , snel duidelijkheid komt over haar perspectief. De ouders moeten een eerlijke kans krijgen om te laten zien dat ze voor [minderjarige] kunnen zorgen. De kinderrechter zal het aangehouden deel van het verzoek daarom toewijzen.
Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
verlengt de aan Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland verleende machtiging [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg van 7 september 2021 tot 7 december 2021, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2021 door mr. A.J. Japenga, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 13 september 2021.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.