ECLI:NL:RBDHA:2021:1039
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning na aangifte mensenhandel ongegrond verklaard
Eiseres, een Nigeriaanse vrouw, deed op 23 december 2019 aangifte van mensenhandel. Verweerder kwalificeerde deze aangifte als aanvraag voor een verblijfsvergunning 'humanitair tijdelijk', maar wees deze af omdat niet werd voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Eiseres stelde dat het beleid van verweerder in strijd is met Europese richtlijnen en dat zij niet tijdig in de gelegenheid is gesteld aangifte te doen.
De rechtbank overwoog dat de vraag of verweerder het beleid correct toepast, mede moet worden bezien in het licht van de nog lopende asielprocedure van eiseres, waarin de verantwoordelijkheid voor behandeling van de aanvraag nog niet is vastgesteld. De rechtbank verwierp het verzoek om aanhouding en oordeelde dat de aangevoerde beleidskritiek en omstandigheden in Italië in de asielprocedure aan de orde moeten komen.
De rechtbank concludeerde dat het eerdere kunnen doen van aangifte voor 1 augustus 2019 alleen zou hebben geleid tot Nederlandse verantwoordelijkheid voor behandeling van de asielaanvraag, maar dat dit geen directe grond is voor het verlenen van een verblijfsvergunning in deze procedure. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.