ECLI:NL:RBDHA:2021:10493

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2021
Publicatiedatum
24 september 2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6730
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WNIArt. 9 PaspoortwetArt. 1 WNIArt. 12a WNIArt. 9 Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing paspoortaanvraag wegens verlies Nederlanderschap volgens WNI artikel 7 lid 5

Eiseres, geboren in Zuid-Afrika in 1950 met dubbele nationaliteit, vroeg in 2019 een Nederlands paspoort aan. De minister van Buitenlandse Zaken weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat eiseres op haar 31e, in 1981, het Nederlanderschap van rechtswege verloor op grond van artikel 7, aanhef en onder 5, van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap 1892 (WNI).

Eiseres voerde aan dat zij haar Nederlanderschap wilde behouden vanwege haar afkomst en de politieke situatie in Zuid-Afrika en Zimbabwe, en dat zij het paspoort nodig had om te kunnen reizen. De rechtbank oordeelde dat het verlies van het Nederlanderschap op 31-jarige leeftijd rechtsgeldig was en dat geen rechtsregels van toepassing zijn om het Nederlanderschap te herkrijgen.

De rechtbank overwoog dat het EU-burgerschap niet van toepassing was omdat dit pas na 1993 werd ingevoerd. Verder werd bevestigd dat eiseres geen kennisgeving had gedaan om haar Nederlanderschap te behouden. De aanvraag voldoet daarom niet aan de eisen van de Paspoortwet, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de paspoortaanvraag wordt niet in behandeling genomen wegens verlies van het Nederlanderschap.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/6730

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] (Zuid-Afrika), eiseres

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam)

Procesverloop

Eiseres heeft op 26 juni 2019 een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Pretoria (Zuid-Afrika).
Bij besluit van 11 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd de aanvraag van eiseres in behandeling te nemen.
Bij besluit van 24 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van een videoverbinding op
22 april 2021. Hieraan hebben eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

1
.De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1950 in [gemeenteplaats] , Zuid-Afrika. Eiseres verkreeg vanaf haar geboorte een dubbele nationaliteit, te weten de Nederlandse nationaliteit vanwege de nationaliteit van haar Nederlandse ouders en de Zuid-Afrikaanse nationaliteit op grond van de Zuid-Afrikaanse nationaliteitswetgeving.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd om de aanvraag van eiseres niet in behandeling te nemen, omdat eiseres op [geboortedag] 1981, toen zij 31 jaar werd op grond van artikel 7, aanhef en onder 5, van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap 1892 (WNI) het Nederlanderschap heeft verloren. De WNI bepaalt limitatief in welke gevallen het Nederlanderschap wordt verkregen dan wel verloren gaat. Doordat eiseres het Nederlanderschap sinds [geboortedag] 1981 niet meer bezit, voldoet zij niet aan de eis van artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet. De aanvraag kan om die reden niet in behandeling worden genomen, aldus verweerder.
4. Eiseres is het niet eens met verweerder en voert aan dat zij de mogelijkheid wil hebben om te reizen met een Nederlands paspoort. Zij wil dit vanwege haar achtergrond en haar trots om van Nederlandse oorsprong te zijn. Ook wil zij dit vanwege de politieke situatie in Zimbabwe en Zuid-Afrika. Eiseres stelt dat zij in het verleden was gedwongen om Zimbabwe te verlaten en zij wil als het nodig zou worden om naar Europa te reizen, graag deze mogelijkheid hebben. Eiseres voert aan dat dit geen last zal veroorzaken om naar Europa te reizen en te genieten van de veiligheid en vrede waar men in het algemeen recht op heeft. Eiseres stelt dat zij de website van de Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft bestudeerd en dat de inhoud hiervan niet helemaal overeenkomt met haar omstandigheden. Zij wil niet in Nederland studeren of werken en zij wil ook geen asiel aanvragen. Eiseres wil haar Nederlanderschap terugkrijgen, aangezien ze van Nederlandse oorsprong is.
5.
De rechtbank overweegt als volgt.
5.1.
Eiseres heeft op [geboortedag] 1981 het Nederlanderschap verloren. Op dat moment was nog geen sprake van (gelijktijdig) bezit van het EU-burgerschap. Het EU-burgerschap is immers ingevoerd met het verdrag van Maastricht dat in werking trad op 1 november 1993. Eiseres heeft door het verlies van het Nederlanderschap op [geboortedag] 1981 daarom niet mede het EU-burgerschap verloren. In dit geval behoeft daarom geen Europeesrechtelijke evenredigheidstoets plaats te vinden, zoals is bedoeld in het Tjebbes-arrest. [1]
5.2.
De rechtbank overweegt dat het voor buiten het Koninkrijk geboren Nederlanders, die door de geboorte tevens de nationaliteit van een ander land hebben verworven, tot 1 januari 1985 mogelijk was de Nederlandse nationaliteit onbeperkt te behouden op grond van artikel 7 van Pro de WNI.
5.3.
Volgens de Nederlandse wet, zoals deze tot 1 januari 1988 gold, werden minderjarigen door het bereiken van de 21-jarige leeftijd of door het eerder sluiten van een huwelijk meerderjarig. Op [geboortedag] 1971 is eiseres 21 jaar oud geworden en dus is zij in ieder geval toen meerderjarig geworden, zodat voor haar op dat moment de tienjarige termijn begon te lopen.
5.4.
Niet in geschil is dat eiseres geen kennisgeving als bedoeld in artikel 7, aanhef en onder 5, van de WNI heeft afgelegd vóór [geboortedag] 1981, toen zij 31 jaar oud was.
5.5.
Ook is niet in geschil dat eiseres haar Nederlanderschap op [geboortedag] 1981 van rechtswege heeft verloren.
5.6.
Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het standpunt van verweerder, dat eiseres op [geboortedag] 1981 op grond van artikel 7, aanhef en onder 5, van de WNI het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren, onjuist is.
5.7.
De rechtbank ziet in wat eiseres in beroep heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel. In het geval en de omstandigheden van eiseres zijn er geen rechtsregels van toepassing op grond waarvan zij het Nederlanderschap kan herkrijgen.
5.8.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat verweerder op goede gronden heeft geweigerd de paspoortaanvraag van eiseres in behandeling te nemen, nu niet is voldaan aan de eis van artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet, dat de aanvrager ten tijde van de paspoortaanvraag Nederlander is in de zin van de wet.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Paspoortwet

Artikel 9
1. Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.
2. […].

Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001

Artikel 9
1. Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt gebruik gemaakt van het door deze overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens.
2. Indien de aanvrager niet in staat is een eerder uitgereikt Nederlands reisdocument over te leggen, worden de in de reisdocumentenadministratie opgenomen gegevens behorende bij het eerder aan betrokkene uitgereikte reisdocument, niet zijnde een nooddocument, geraadpleegd.
3. Berusten de in het tweede lid bedoelde gegevens bij een andere autoriteit, dan wordt deze verzocht om kosteloze verstrekking van een afschrift van de gevraagde gegevens uit de reisdocumentenadministratie. In de aanvraag wordt vermeld bij welke autoriteit de gegevens zijn opgevraagd.
4. Indien onzekerheid blijft bestaan over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.
Artikel 52
1. Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51, wordt niet in behandeling genomen.
2. t/m 6. […]

Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap 1892

Artikel 1, aanhef onder a,
Nederlanders door geboorte zijn het wettig, gewettigd of door de vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de vader de staat van Nederlander bezit.

Artikel 7 aanhef Pro en onder 5,

Nederlanderschap wordt verloren voor zoveel betreft Nederlanders buiten het Koninkrijk en buiten de Republiek Indonesië geboren, door, behalve in dienst van het Koninkrijk, woonplaats te hebben buiten het Koninkrijk en buiten de Republiek Indonesië, gedurende tien achtereenvolgende jaren, tenzij de afwezige voor het verstrijken van die termijn aan de bij artikel 12a bedoelde autoriteit kennisgeeft dat hij Nederlander wenst te blijven.
Van de dag, waarop die kennisgeving ontvangen is, begint de tienjarige termijn opnieuw te lopen.
Ten opzichte van minderjarigen begint de tienjarige termijn te lopen met de dag hunner meerderjarigheid in de zin der Nederlandse wet.

Voetnoten

1.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 12 maart 2019, Tjebbes e.a., ECLI:EU:C:2019:189.