ECLI:NL:RBDHA:2021:10645

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 september 2021
Publicatiedatum
30 september 2021
Zaaknummer
NL21.12583
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft vastgesteld dat Frankrijk inderdaad verantwoordelijk is en dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit vertrouwensbeginsel in zijn situatie niet kan worden toegepast. Hoewel eiser stelde in Frankrijk slecht te zijn behandeld en onvoldoende opvang en juridische hulp te hebben ontvangen, heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder gemotiveerd heeft uitgelegd waarom dit niet tot een inhoudelijke behandeling van de aanvraag leidt.

Eiser heeft geen fundamentele kritiek geleverd op het bestreden besluit en heeft ook geen reden gegeven waarom het besluit tekort zou schieten. Verder was er geen grond om eiser meer tijd te gunnen om bewijs te verzamelen, ondanks zijn strafrechtelijke detentie, aangezien hij vanaf de indiening van zijn aanvraag voldoende gelegenheid had gehad.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.12583
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2021 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Eiser voert aan dat verweerder de behandeling daarvan desondanks aan zich dient te trekken met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. [1]
2. Verweerder mag ten aanzien van Frankrijk in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan. Eiser is daar niet in geslaagd.
3. Eiser stelt, onder verwijzing naar de zienswijze op het voornemen, dat hij in Frankrijk slecht is behandeld. Hij heeft daar niet of nauwelijks opvang genoten en was verstoken van juridische hulp. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op deze stelling van eiser en waarom deze niet alsnog tot de inhoudelijke behandeling van zijn aanvraag kan leiden. Uit de beroepsgronden blijkt evenwel niet waarom eiser het daar niet mee eens is en het besluit aldus in zoverre tekort schiet. Nu fundamentele kritiek op het bestreden besluit ontbreekt, kan reeds daarom het beroep van eiser niet slagen.
4. Verder is er geen grond voor het oordeel dat verweerder eiser meer tijd had moeten gunnen om documenten te verzamelen, waarmee hij zijn stellingen kan onderbouwen. De strafrechtelijke detentie van eiser laat onverlet dat eiser, die door een professionele rechtshulpverlener wordt bijgestaan, vanaf het indienen van zijn asielaanvraag op 6 mei 2021 voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om eventueel bewijs van de wijze waarop hij, naar hij stelt, in Frankrijk is behandeld aan te leveren.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2021 door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Verordening (EU), nr. 604/2013.