ECLI:NL:RBDHA:2021:10653
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen verblijfsvergunning met verlopen geldigheidsduur en verblijfsgat
Eiseres, een Amerikaanse nationaliteit houdende vrouw, diende een aanvraag in voor een reguliere verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij haar referente, die een verblijfsvergunning had voor studie tot 1 december 2020. De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen, waarna de rechtbank het besluit vernietigde vanwege onvoldoende motivering. Bij het bestreden besluit werd het bezwaar van eiseres alsnog gegrond verklaard en werd de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht verleend, maar met een geldigheidsduur tot 1 december 2020, gelijk aan die van de referente.
Eiseres betoogde dat de geldigheidsduur te kort was en dat verweerder meer rekening had moeten houden met de menselijke maat door een nieuwe aanvraag met terugwerkende kracht te laten ingaan, om een verblijfsgat te voorkomen. De rechtbank oordeelde echter dat het verblijfsrecht van eiseres afhankelijk is van dat van de referente en dat ook bij een gelijktijdige beslissing op de nieuwe aanvraag van de referente een verblijfsgat zou zijn ontstaan.
De rechtbank verwierp het beroep van eiseres en oordeelde dat zij met deze procedure niet kan afdwingen dat de ingangsdatum van een nieuwe verblijfsvergunning op 1 december 2020 wordt vastgesteld. Indien zij het niet eens is met een nieuwe ingangsdatum, dient zij daartegen een afzonderlijk rechtsmiddel in te stellen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de geldigheidsduur van haar verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard vanwege het verblijfsgat.