ECLI:NL:RBDHA:2021:10656
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in bestuursrechtelijke beroepsprocedure
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarbij haar bezwaar was gegrond verklaard. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen zodat zij de beroepsprocedure in Nederland mocht afwachten.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek beoordeeld op grond van de Algemene wet bestuursrecht, met name artikel 8:81 en Pro 8:83 Awb. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer AWB 21/2887), achtte de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter C. van Boven-Hartogh en griffier W. van Loon op 23 september 2021 te Middelburg. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.