Eiser, een voormalig logistiek medewerker, ontving sinds juni 2018 een WW-uitkering en meldde zich in mei 2019 ziek vanwege psychische klachten. Na een eerstejaars ziektewetbeoordeling werd vastgesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid per mei 2020 minder dan 35% bedroeg, waarop de Ziektewetuitkering per 1 oktober 2020 werd beëindigd.
Eiser voerde aan dat zijn psychische beperkingen ernstiger waren dan erkend, mede door traumatische ervaringen en stopzetting van behandeling. Hij stelde dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen. Verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen onderzochten de situatie, waarbij zij concludeerden dat de beperkingen juist waren vastgesteld en passende functies waren aangewezen.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd en dat eiser zijn standpunt niet met medische stukken had onderbouwd. Ook de arbeidsdeskundige beoordeling werd niet betwist door eiser. Daarom was de beëindiging van de ZW-uitkering terecht en werd het beroep ongegrond verklaard.