Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2021 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: R. Frijlink).
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg om een omgevingsvergunning eerste fase te weigeren voor het bouwen van een vrijstaande woning op een perceel waar haar ouders wonen.
De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed, hetgeen niet is aangetoond. Hoewel verzoekster stelt dat zij zorg wil verlenen aan haar ongeneeslijk zieke moeder die op het perceel woont, is dit geen reden voor spoedeisendheid in de zin van de wet.
Daarnaast kan de voorzieningenrechter geen opdracht geven aan de raad om een nieuw besluit te nemen, mede omdat de raad geen partij is in deze procedure en een grote beleidsvrijheid heeft bij het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen. De bodemrechter kan het besluit beoordelen en eventueel vernietigen, maar de voorlopige voorziening is niet het juiste instrument.
Tot slot wijst de voorzieningenrechter op de mogelijkheid van een verzoek tot versnelde behandeling bij de rechtbank op grond van artikel 8:52 Awb Pro. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed.