De officier van justitie vorderde op 14 september 2021 een machtiging van de rechter-commissaris voor het verkrijgen van historische verkeersgegevens van een mobiel telefoonnummer over één dag. De vordering was gebaseerd op een vermoeden dat de gebruiker van het telefoonnummer op die dag contact had met een andere lijn die mogelijk verband hield met de verdachte.
De rechter-commissaris beoordeelde de vordering aan de hand van de criteria uit de uitspraak van het Europees Hof van Justitie in de zaak H.K./Prokuratuur (C-746/18). Hoewel het Hof stelt dat zelfs korte perioden of beperkte gegevens toegang kunnen geven tot nauwkeurige informatie over de persoonlijke levenssfeer, is de toetsingsmaatstaf de mate van inbreuk op de privacy. In dit geval werd geoordeeld dat de periode van één dag te kort was om precieze conclusies over de persoonlijke levenssfeer te trekken.
Daarom werd de te verwachten inbreuk op de privacy als hoogstens gering beoordeeld. Op grond hiervan verklaarde de rechter-commissaris de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering, omdat een voorafgaande machtiging alleen vereist is bij een meer dan geringe privacy-inbreuk.
De beslissing werd genomen op 14 september 2021 door rechter-commissaris M.L. Ruiter.