ECLI:NL:RBDHA:2021:10880
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens vermoedelijk schijnhuwelijk
Eiser, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, vroeg op 17 januari 2020 een verblijfsdocument EU/EER aan op basis van zijn relatie met een Poolse gemeenschapsonderdaan, referente. Verweerder wees deze aanvraag af omdat eiser niet als gezinslid van de gemeenschapsonderdaan werd aangemerkt.
Verweerder voerde een onderzoek uit naar de relatie op grond van een gegrond vermoeden van misbruik van de Verblijfsrichtlijn. Dit onderzoek toonde tegenstrijdige verklaringen tussen eiser en referente over hun relatie, samenwoning, dagelijks leven en werk. Tevens waren er aanwijzingen dat referente een relatie had met een andere man, [A], bevestigd door foto’s en berichten op Facebook.
Eiser en referente konden niet aannemelijk maken dat zij niet op essentiële punten gelijkluidend moesten verklaren. De schriftelijke verklaring van [A] dat hij geen relatie met referente had, werd onvoldoende geacht. De rechtbank concludeerde dat het huwelijk vermoedelijk is aangegaan om het recht op vrij verkeer en verblijf te verkrijgen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard wegens vermoedelijk schijnhuwelijk.