ECLI:NL:RBDHA:2021:1096
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk
Eiser diende een asielaanvraag in, maar de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze niet in behandeling omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde dat overdracht naar Frankrijk onevenredige hardheid zou betekenen vanwege bedreigingen vanuit de Tunesische gemeenschap en medische klachten.
De rechtbank overwoog dat verweerder mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat dit niet op hem van toepassing was. De rechtbank vond dat verweerder terecht had gemotiveerd dat eiser bescherming van Franse autoriteiten kan inroepen en dat het gevaar onvoldoende concreet was om een uitzondering te rechtvaardigen.
Ook de medische klachten van eiser werden beoordeeld; deze waren niet voldoende onderbouwd als gevolg van onveiligheid in Frankrijk. De rechtbank concludeerde dat de omstandigheden van eiser niet zodanig bijzonder waren dat toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening op zijn situatie vereist was.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter L.M. Reijnierse en griffier T.R. Oosterhoff-Vos op 12 februari 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.