ECLI:NL:RBDHA:2021:1097

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2021
Publicatiedatum
15 februari 2021
Zaaknummer
AWB 21/772
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen onvrijwillige uitzetting naar Italië toegewezen

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn uitzetting naar Italië en meerdere voorlopige voorzieningen ingediend om dit te voorkomen. Ondanks een eerdere uitspraak die het verzoek toewijst, is verzoeker tegen zijn wil op 5 februari 2021 uitgezet naar Italië. De voorzieningenrechter oordeelt dat het vertrek niet vrijwillig was, omdat verzoeker duidelijk heeft gemaakt niet te willen vertrekken en meerdere keren een voorlopige voorziening heeft aangevraagd.

De Staatssecretaris betoogde dat het vertrek vrijwillig was omdat verzoeker niet gedwongen was mee te werken, maar dit standpunt wordt verworpen. De voorzieningenrechter stelt dat meewerken uit angst voor problemen niet gelijkstaat aan vrijwilligheid. Bovendien is de eerdere uitspraak niet afgewacht.

De voorzieningenrechter beveelt daarom dat de Staatssecretaris de gevolgen van de overdracht ongedaan maakt door verzoeker binnen 48 uur na uitspraak terug te halen naar Nederland. Tevens wordt de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 534,-. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De voorzieningenrechter beveelt de Staatssecretaris om verzoeker binnen 48 uur terug te halen naar Nederland en veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/772

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2021 in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.R. Vink).

Procesverloop

Verweerder heeft (de gemachtigde van) verzoeker op 15 januari 2021 kennis gegeven van het feit dat verzoeker op 5 februari 2021 om [tijd] uur met vluchtnummer [vluchtnummer] zal uitreizen naar Rome.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Hij heeft voorts de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening.
Bij uitspraak van 5 februari 2021 heeft de voorzieningenrechter, zittingsplaats Roermond, AWB 21/756, het verzoek toegekend.
Verzoeker bevindt zich inmiddels in Italië en heeft opnieuw om een voorlopige voorziening verzocht.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op 5 februari 2021 gesloten.
Omdat onverwijlde spoed dat vereist, is een zitting achtwege gebleven.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter beoordeelt of het administratieve beroep van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter geeft daarbij een voorlopig oordeel over de zaken. Als deze zaak in beroep wordt voorgelegd aan de rechtbank, hoeft de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter niet per se te volgen. De voorzieningenrechter neemt spoedeisend belang aan gelet op het volgende. Verzoeker heeft vandaag rond [tijd] uur, dus voor zijn vertrek naar Italië een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter om 10:52 uur uitspraak gedaan op het verzoek en het verzoek toegewezen. De vlucht was op dat moment reeds vertrokken, met eiser aan boord. Het enkele feit dat verweerder de uitspraak niet heeft afgewacht, waardoor verzoeker reeds voordat de uitspraak was gedaan feitelijk is uitgezet naar Italië, maakt niet dat het spoedeisend belang is komen te vervallen, alleen omdat er niet langer sprake is van een geplande maar nu van een gerealiseerde overdracht.
2. Verzoeker verzoekt om te bepalen dat de overdracht alsnog zo spoedig mogelijk ongedaan wordt gemaakt en verweerder op te dragen verzoeker terug te halen naar Nederland. Verzoeker wenste niet overgedragen te worden aan Italië maar is daartoe gedwongen.
3. Verweerder betwist dat sprake is van een gedwongen overdracht en wijst erop dat sprake is van vrijwillig vertrek waarbij verzoeker simpelweg kon weigeren om mee te werken. Op ieder moment had verzoeker het vertrek kunnen voorkomen door niet mee te werken of te laten weten dat hij afziet van vertrek, aldus verweerder.
4. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt. Verweerder heeft verwezen naar het vertrekgesprek van 14 januari 2021. Verzoeker verklaart daarin dat hij meewerkt aan de coronatest en de overdracht en geen problemen wil. Toen hij is aangezegd dat hij zou worden overgedragen, op 15 januari 2021, heeft hij een voorlopige voorziening verzocht. Op dat verzoek is op 4 februari 2021 (onder meer) het volgende geoordeeld:
3.
In zijn verweerschrift heeft verweerder onder meer het volgende gesteld:
De staatssecretaris stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek geen spoedeisend belang heeft. Hiervoor is van belang dat verzoeker niet in detentie is gesteld en niet gedwongen uit Nederland zal worden verwijderd. De staatssecretaris heeft ter facilitering van verzoeker een vlucht voor hem geboekt naar Rome, Italië om hem in de gelegenheid te stellen uitvoering te geven aan het overdrachtsbesluit van 25 november 2019. Het is aan verzoeker of hij hier gebruik van maakt. Indien verzoeker niet zelfstandig wil vertrekken naar Italië, dan zal hij op geen enkele wijze gedwongen worden om gebruik te maken van de geboekte vlucht. Verzoeker heeft aldus in eigen hand of hij op 5 februari 2021 uit Nederland vertrekt of niet. Gelet hierop is er geen spoedeisend belang.
4. Hoewel verzoeker kan worden toegegeven dat voormeld standpunt van verweerder afwijkt van het standpunt dat deze heeft ingenomen in de eerdere procedure die verzoeker aanhangig heeft gemaakt tegen een vluchtaanzegging (op 15 december 2020), acht de voorzieningenrechter deze omstandigheid onvoldoende om aan te nemen dat verweerder de toezegging dat verzoeker op geen enkele wijze gedwongen zal worden om gebruik te maken van de geboekte vlucht, niet gestand zal doen. Indien verzoeker op 5 februari 2021 onverhoopt toch gedwongen zal worden uitgezet, zal de voorzieningenrechter niet aarzelen een eventueel alsdan ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen en verweerder op te dragen verzoeker terug te (doen) halen.
5. Vervolgens is verzoeker op 5 februari 2021 om 4:20 uur opgehaald en naar Schiphol vervoerd. Opnieuw heeft hij zijn gemachtigde verzocht om een voorlopige voorziening in te dienen gericht tegen deze overdracht. Daarop is (onder meer) als volgt geoordeeld:
4. De gemachtigde van verzoeker heeft de voorzieningenrechter heden andermaal verzocht een voorlopige voorziening te treffen omdat verweerder verzoeker hedenochtend van zijn bed heeft gelicht en naar Schiphol heeft gebracht en rond [tijd] uur – tegen zijn wil – zal uitreizen. Nu verweerder (kennelijk) zijn toezegging niet is nagekomen en/of de voorzieningenrechter onjuist heeft voorgelicht, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek toe te wijzen, in dier voege dat verweerder zal worden opgedragen uitzetting van verzoeker achterwege te laten tot vier weken nadat op het bezwaar van verzoeker zal zijn beslist.
6. Gezien deze gang van zaken, waarbij verzoeker voorafgaand aan de vlucht reeds twee voorlopige voorzieningen heeft ingediend, was helder dat verzoeker geen uitzetting wenste en zijn vertrek niet vrijwillig was. Daarom kan verweerder niet worden gevolgd dat sprake was van een vrijwillig vertrek alleen omdat hij er niet voor heeft gekozen om niet mee te werken. Uit het verslag van het vertrekgesprek volgt immers dat hij mee zou werken omdat hij geen problemen wil. Daarmee wordt het vertrek nog niet vrijwillig, zoals ook bleek uit zijn verzoeken om voorlopige voorzieningen. Daarnaast heeft verweerder de uitspraak van de voorzieningenrechter van eerder vandaag niet afgewacht. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe, bepalende dat verweerder wordt opgedragen om de gevolgen van de overdracht naar Italië ongedaan te maken door verzoeker binnen 48 uur na openbaarmaking van de uitspraak naar Nederland terug te halen.
7. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in kosten die verzoeker in verband met de behandeling van zijn verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 534,-. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe;
  • bepaalt dat verweerder de gevolgen van de overdracht naar Italië ongedaan moet maken door verzoeker binnen 48 uur na openbaarmaking van de uitspraak naar Nederland terug te halen;
  • veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure tot een bedrag van € 534,-, te vergoeden aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
5 februari 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.