ECLI:NL:RBDHA:2021:1099
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke overdracht naar Italië
Verzoeker maakte bezwaar tegen zijn voorgenomen feitelijke overdracht naar Italië, gepland op 11 februari 2021. Hij beriep zich op zijn medische situatie en het arrest van het HvJ-EU in C.K. tegen Slovenië, stellende dat overdracht ernstige gezondheidsrisico's met zich meebrengt. Verzoeker overlegde een verklaring van een pijnspecialist, maar deze toonde geen ernstige achteruitgang bij overdracht aan.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar tegen de feitelijke overdracht een beperkte reikwijdte heeft en alleen kan slagen indien de situatie ten tijde van de overdracht significant afwijkt van het oorspronkelijke besluit. De medische gegevens boden onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat overdracht in strijd is met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro EU.
Verweerder had de Italiaanse autoriteiten geïnformeerd over de medische situatie van verzoeker en hoefde geen individuele garanties te verkrijgen. Ook de corona-pandemie vormde geen belemmering voor overdracht, gelet op het interstatelijke vertrouwensbeginsel.
Gezien het ontbreken van andere relevante belangen en de beperkte kans van slagen van het bezwaar, wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de feitelijke overdracht naar Italië is afgewezen.