ECLI:NL:RBDHA:2021:1111
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitse autoriteiten
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen overdracht aan de Duitse autoriteiten op grond van de Dublinverordening en verzocht om een voorlopige voorziening die deze overdracht opschort.
De voorzieningenrechter overweegt dat de overdracht een beschikking is waartegen bezwaar openstaat en dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed en gelet op de belangen. Verzoeker voert aan dat de overdracht een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert vanwege de coronasituatie in Duitsland en dat er geen zorgvuldige belangenafweging is gemaakt.
De rechter acht de bezwaren onvoldoende omdat verzoeker geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die afwijken van eerdere beslissingen waarbij de asielaanvragen niet in behandeling zijn genomen. Ook is het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing, waarbij wordt aangenomen dat Duitsland passende maatregelen neemt tegen corona. De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Duitse autoriteiten wordt afgewezen.