Eiseres, een Iraakse nationaliteit houdende asielzoekster, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 31 juli 2020 werd afgewezen. Tegen dit besluit stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
Uit een bericht van het Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) bleek dat eiseres op 13 april 2021 vrijwillig naar Irak is vertrokken en heeft ingestemd met het intrekken van lopende verblijfsrechtelijke procedures. De gemachtigde van eiseres gaf aan geen contact meer te hebben met haar cliënte en zich terug te trekken als gemachtigde.
De rechtbank overwoog dat eiseres geen procesbelang meer had bij het beroep, aangezien zij vrijwillig haar land van herkomst had teruggekeerd en niet langer aanspraak wenste te maken op een verblijfsvergunning. Er was geen aanwijzing dat de vertrekverklaring onvrijwillig of zonder kennis van de inhoud was ondertekend. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij een proceskostenveroordeling af.