De vader verzocht de rechtbank om een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij hij eenmaal per week fysiek contact zou hebben met zijn twee minderjarige kinderen, onder voorwaarden en met een dwangsom bij niet-naleving door de gecertificeerde instelling. Hij stelde dat uit psychologisch onderzoek bleek dat er geen indicatie was voor verdere behandeling en dat het recidiverisico laag was. De vader gaf aan zich te houden aan voorwaarden en hulpverlening te accepteren.
De gecertificeerde instelling en de moeder voerden verweer. Zij stelden dat het recht op omgang van de vader was geschorst vanwege veiligheidsoverwegingen en dat specialistische hulp noodzakelijk is. De vader werkte onvoldoende mee aan behandeling en er was onvoldoende zicht op gedragsverandering. De kinderen gaven aan geen contact met de vader te willen en ervaren stress bij elk contact.
De kinderrechter oordeelde dat de situatie onveilig blijft, dat de vader onvoldoende heeft meegewerkt aan hulpverlening en dat er geen relevante verandering is die het contact veilig maakt. Daarom is het niet in het belang van de kinderen om het contact te starten. Het verzoek van de vader werd afgewezen.
De beschikking is op 16 februari 2021 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter S.M. Borkent. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak door tussenkomst van een advocaat bij het gerechtshof Den Haag.