ECLI:NL:RBDHA:2021:11255
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens beëindiging huwelijk bevestigd door rechterlijke beschikking
Eiser had een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn echtgenote, die met ingang van 2 oktober 2019 met terugwerkende kracht werd ingetrokken door verweerder. De intrekking werd gemotiveerd door de vermeende beëindiging van het huwelijk. Eiser betwistte dit en stelde dat het huwelijk nog bestond en onder druk stond door familie van zijn echtgenote.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het huwelijk duurzaam is verbroken. Dit blijkt uit een brief van de advocaat van de echtgenote en een rechterlijke beschikking die bepaalt dat eiser de huurwoning mag gebruiken en de echtgenote moet vertrekken. De stelling van eiser is onvoldoende onderbouwd met stukken.
Verder is vastgesteld dat eiser niet voldeed aan het vereiste van één jaar legale arbeid, waardoor intrekking ook zonder fraude mogelijk is. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalt wegens gebrek aan onderbouwing. De rechtbank wijst ook het verzoek tot vergoeding van proceskosten af omdat de wijziging van de intrekkingsdatum een kennelijke verschrijving betrof.
Ten slotte is de klacht over schending van de hoorplicht verworpen omdat verweerder op grond van de bezwaarschriftenprocedure redelijkerwijs kon besluiten af te zien van horen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning wegens beëindiging van het huwelijk.