ECLI:NL:RBDHA:2021:1130
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M. Meijers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding met land van herkomst
Eiseressen, moeder en dochter met de Marokkaanse nationaliteit, vroegen een visum kort verblijf aan om familiebezoek te brengen aan een familielid in Nederland. De aanvragen werden door de minister van Buitenlandse Zaken afgewezen wegens onvoldoende aantoonbare binding met het land van herkomst en twijfel over het voornemen om tijdig terug te keren.
De rechtbank overwoog dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiseres 1 geringe sociale binding met Marokko heeft, aangezien zij geen eigen gezin daar heeft en geen directe familieleden die op haar aangewezen zijn. Ook is er geen economische binding, omdat zij geen werk of inkomen in Marokko heeft. De aanwezigheid van een echtgenoot met rechtmatig verblijf in Nederland en het bezit van een huis op naam van de echtgenoot bieden geen garantie voor terugkeer.
Verder is de aanvraag van eiseres 1 in 2016 voor een machtiging tot voorlopig verblijf meegewogen als indicatie dat terugkeer niet gewaarborgd is. De rechtbank achtte de motivering van de minister voldoende en vond dat het bezwaar van eiseres 2 niet-ontvankelijk was omdat zij geen eigen belang had. Het verzoek om een hoorzitting was niet noodzakelijk gezien de omstandigheden.
De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de visumaanvragen wegens onvoldoende binding met Marokko en twijfel over tijdige terugkeer.