Eiser, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 1 juli 2021 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser reeds internationale bescherming geniet in Roemenië sinds februari 2021.
Eiser voerde aan dat verweerder onzorgvuldig handelde door een voornemen te nemen voordat hij correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor kon indienen, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer van toepassing is vanwege de slechte situatie voor statushouders in Roemenië. Ook stelde hij dat hij een sterkere band met Nederland heeft vanwege familieleden die hier wonen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld en dat de correcties en aanvullingen zijn betrokken bij de besluitvorming. Tevens is vastgesteld dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat Roemenië zijn internationale verplichtingen jegens hem niet nakomt, mede omdat hij weinig inspanningen heeft geleverd om zijn rechten als statushouder in Roemenië te effectueren. De aanwezigheid van familieleden in Nederland leidt niet tot een sterkere band, omdat geen afhankelijkheidsrelatie is onderbouwd.
Daarom is de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.