De woningcorporatie, eigenaar van circa 3.500 sociale huurwoningen, vorderde een verklaring voor recht dat de vereniging voor huurdersbelangen niet als huurdersorganisatie kan worden aangemerkt volgens artikel 1, lid 1 onder f van de Wet op het overleg huurders verhuurder (Wohv). De corporatie stelde dat de vereniging niet aan de wettelijke vereisten voldeed, onder meer omdat twee bestuursleden geen huurders waren en er onvoldoende huurdersparticipatie was.
De kantonrechter nam kennis van de processtukken en hield op 22 september 2021 een mondelinge behandeling. De rechtbank oordeelde dat de vereniging voldoet aan de vijf wettelijke voorwaarden uit artikel 1, lid 1 onder f Wohv, waaronder het informeren en betrekken van huurders, het houden van algemene ledenvergaderingen en het openstellen voor alle huurders. De eerdere bestuursleden die geen huurders waren, waren vervangen en de statuten werden aangepast.
De rechtbank verwierp het standpunt van de corporatie dat de vereniging slechts een huurdersorganisatie voor specifieke wooncomplexen zou zijn. Ook stelde de rechtbank dat de corporatie de vereniging niet mag passeren omdat zij de samenwerkingsovereenkomst had opgezegd. De vorderingen van de corporatie werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten van de vereniging.