De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 22 oktober 2021 een voorlopige voorziening toegekend in een bestuursrechtelijke zaak over een omgevingsvergunning voor het veranderen van een berging in een atelier/berging. Verzoeker maakte bezwaar tegen de vergunning omdat het bouwwerk voorzieningen bevat zoals een keuken, houtkachel, boiler en badkamer, die wijzen op mogelijk gebruik als woonruimte, hetgeen niet is toegestaan volgens de beheersverordening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er ernstige twijfel bestaat of het bouwwerk niet mede voor bewoning zal worden gebruikt, waardoor het niet als bijgebouw kan worden aangemerkt. De motivering van het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar ontbrak om dit te onderbouwen. Daarom werd de vergunning geschorst tot zes weken na het besluit op bezwaar.
Daarnaast werd vastgesteld dat de vergunninghouder de bouwwerkzaamheden had gestaakt en dat verzoeker voldoende spoedeisend belang had bij de voorziening. De rechtbank wees ook op de noodzaak voor het college om in de bezwaarfase nader te onderzoeken of het bouwwerk in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verzoeker kreeg vergoeding van griffierecht en proceskosten toegewezen.