4.6.Nu uit het door verweerder verrichte onderzoek blijkt dat de aan eiser toegekende indicatie voor individuele begeleiding door zijn moeder niet langer doelmatig was, en dus naar zijn aard niet meer geschikt was om een passende bijdrage te leveren aan eisers zelfredzaamheid of participatie, was verweerder niet gehouden om de indicatie te continueren. Daarom heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om de toegekende indicatie vanaf 15 februari 2019 stapsgewijs af te bouwen tot 15 mei 2019. Het voorgaande betekent dat er niet langer noodzaak was om vast te stellen in hoeverre de door eiser benodigde hulp als bovengebruikelijk is aan te merken.
5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de indicatie voor het pgb van eiser voor ‘Begeleiding Individueel’ met ingang van 15 februari 2019 te beëindigen en het pgb vervolgens over een periode van drie maanden af te bouwen. Aan de omstandigheid dat verweerder met bestreden besluit I abusievelijk niet is overgegaan tot intrekking van het primaire besluit per 15 februari 2019, zal de rechtbank geen gevolgen verbinden, nu dit gebrek hersteld moet worden geacht met het nemen van bestreden besluit II. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat geen grond bestond voor intrekking van het primaire besluit, nu uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder inzichtelijk heeft gemotiveerd dat eiser per 15 februari 2019 niet meer was aangewezen op het hem toegekende pgb, zodat zich een situatie voordeel als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmo 2015. In deze gang van zaken ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser.
7. Het beroep is ongegrond.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1). Ook dient verweerder het door eiser in het beroep met zaaknummer SGR 19/2176 betaalde griffierecht te vergoeden.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de griffier aan eiser het door hem in de zaak SGR 19/2178 betaalde griffierecht van € 47,- terugbetaalt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 534,-;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem in de zaak SGR 19/2176 betaalde griffierecht van € 47,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 29 januari 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: