Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2021 in de zaak tussen
[eiser] , eiser, V- nummer [V-nummer]
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn moeder te verblijven. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat de moeder het wettelijke gezag over eiser had en dat zij en haar echtgenoot voldeden aan het middelenvereiste. Ook ontbraken bijzondere omstandigheden die tot verlening zouden kunnen leiden.
Eiser voerde in beroep aan dat met een rechterlijke uitspraak uit Marokko het gezag was aangetoond en dat het middelenvereiste niet te strikt moest worden toegepast, verwijzend naar de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM. Tevens stelde hij dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de afhankelijkheidsrelatie en dat de hoorplicht was geschonden.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet had gemotiveerd betwist dat niet aan het middelenvereiste was voldaan, waardoor deze afwijzingsgrond het besluit kon dragen. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro was zorgvuldig uitgevoerd en er waren geen bijzondere omstandigheden die tot een andere uitkomst leidden. De hoorplicht was niet geschonden omdat vooraf duidelijk was dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. Meijers op 31 augustus 2021.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.