ECLI:NL:RBDHA:2021:11553

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 augustus 2021
Publicatiedatum
22 oktober 2021
Zaaknummer
AWB 20/7926
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3.13 VreemdelingenbesluitArtikel 3.22 VreemdelingenbesluitArtikel 7 GezinsherenigingsrichtlijnArtikel 20 VWEUArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf bij familie wegens middelenvereiste

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn moeder te verblijven. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat de moeder het wettelijke gezag over eiser had en dat zij en haar echtgenoot voldeden aan het middelenvereiste. Ook ontbraken bijzondere omstandigheden die tot verlening zouden kunnen leiden.

Eiser voerde in beroep aan dat met een rechterlijke uitspraak uit Marokko het gezag was aangetoond en dat het middelenvereiste niet te strikt moest worden toegepast, verwijzend naar de Gezinsherenigingsrichtlijn en het EVRM. Tevens stelde hij dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de afhankelijkheidsrelatie en dat de hoorplicht was geschonden.

De rechtbank stelde vast dat eiser niet had gemotiveerd betwist dat niet aan het middelenvereiste was voldaan, waardoor deze afwijzingsgrond het besluit kon dragen. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro was zorgvuldig uitgevoerd en er waren geen bijzondere omstandigheden die tot een andere uitkomst leidden. De hoorplicht was niet geschonden omdat vooraf duidelijk was dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. Meijers op 31 augustus 2021.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/7926

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V- nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.S. Maas),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K.A. van Iwaarden).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij ‘familie of gezinslid’ afgewezen.
Bij besluit van 30 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft per Skypeverbinding plaatsgevonden op 20 juli 2021.
Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde
.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 2003. Hij wil verblijf bij referente, zijn moeder.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet is gebleken dat referente het wettelijke gezag over eiser heeft. Ook is de aanvraag afgewezen omdat niet is gebleken dat referente en haar echtgenoot aan het middelenvereiste voldoen. Verder zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan tot verlening van de mvv moet worden overgegaan. Het recht op familie- en gezinsleven [1] betekent niet dat aanvraag van eiser in dit geval moest worden toegewezen.
Wat zijn de regels?
3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Met de overgelegde rechterlijke uitspraak uit Marokko van 22 oktober 2020 is aangetoond dat referente is belast met het ouderlijk gezag over eiser. Wat betreft het middelenvereiste meent eiser, onder verwijzing naar artikel 7 van Pro de Gezinsherenigingrichtlijn, dat de voorwaarden die daaraan worden gesteld niet te strikt mogen zijn. Verder heeft er geen deugdelijke belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro [2] plaatsgevonden en heeft referente een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro. [3] Verweerder heeft onvoldoende aandacht gehad voor de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente. Onder verwijzing naar twee uitspraken meent eiser dat verweerder heeft nagelaten om alle omstandigheden van het geval bij zijn beoordeling in het kader van artikel 4:84 van Pro de Awb te betrekken. Tot slot had verweerder moeten horen in bezwaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Middelenvereiste
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat referente niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Verweerder heeft in het bestreden besluit uitgebreid weergeven waarom eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het middelenvereiste. Dit is door eiser in beroep niet gemotiveerd betwist. De enkele verwijzing van eiser naar artikel 7 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn maakt vorenstaande niet anders. Nu door eiser niet wordt voldaan aan het middelenvereiste en deze afwijzingsgrond het bestreden besluit kan dragen, hoeft al hetgeen door eiser is aangevoerd met betrekking tot het gezag niet te worden besproken.

8 EVRM en 4:84 Awb

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM meegewogen en deze niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. De stelling van eiser dat zijn oma hem niet meer kan opvangen in verband met haar leeftijd en gezondheid is niet met stukken onderbouwd. Evenmin is aangetoond dat er naast zijn oma geen andere familieleden meer in Marokko wonen. Evenmin is gebleken dat eiser geen contact meer met zijn vader heeft. Ook is niet gebleken van objectieve belemmeringen voor referente om het gezinsleven met eiser in Marokko uit te oefenen. Niet is aangetoond dat sprake is van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte de namens eiser aangevoerde omstandigheden niet aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van Pro de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. De verwijzing van eiser naar jurisprudentie van deze rechtbank en van de hoogste bestuursrechter leidt niet tot een ander oordeel.
Artikel 20 VWEU Pro
7. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat van schending van dit artikel geen sprake is nu referente in het bezit is van een EU-verblijfsvergunning en zij door de afwijzende beslissing in onderhavige verblijfsprocedure van eiser niet gedwongen wordt Nederland te verlaten.
Hoorplicht
8. Ten aanzien van de gestelde schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen heeft mogen afzien.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.P. Deventer, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2021
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Bijlage

Vreemdelingenbesluit
Artikel 3.22
1. De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a.
2. In afwijking van het eerste lid wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien de hoofdpersoon de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt of naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.
Richtlijn 2003/86/EG (Gezinsherenigingsrichtlijn)
Artikel 7
1. Bij de indiening van het verzoek tot gezinshereniging kan de betrokken lidstaat de persoon die het verzoek heeft ingediend, verzoeken het bewijs te leveren dat de gezinshereniger beschikt over:
a. a) huisvesting die in de betrokken regio als normaal beschouwd wordt voor een vergelijkbaar gezin en die voldoet aan de algemene normen inzake veiligheid en hygiëne welke in de betrokken lidstaat gelden;
b) een ziektekostenverzekering die voor hemzelf en zijn gezinsleden in de betrokken lidstaat alle risico's dekt die normaal voor de onderdanen van die lidstaat zijn gedekt;
c) stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de betrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen daartoe de aard en de regelmaat van deze inkomsten en kunnen rekening houden met de nationale minimumlonen en pensioenen, evenals met het aantal gezinsleden.
2. De lidstaten kunnen van onderdanen van derde landen verlangen dat zij overeenkomstig het nationale recht aan integratievoorwaarden voldoen.
De integratievoorwaarden als bedoeld in de vorige alinea kunnen ten aanzien van vluchtelingen/gezinsleden van vluchtelingen als bedoeld in artikel 12 alleen Pro worden toegepast nadat de betrokken personen gezinshereniging is toegestaan.

Voetnoten

1.Artikel 20 van Pro het VWEU en artikel 8 van Pro het EVRM
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.