ECLI:NL:RBDHA:2021:11555
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf bij familie op grond van artikel 8 EVRM
Eiser, een Iraanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn dochter in Nederland te verblijven. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiser stelde dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro onjuist was, onder meer omdat onvoldoende rekening was gehouden met de positie van zijn dochter en de objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Iran voort te zetten.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden voldoende en deugdelijk had meegewogen. Daarbij werd onder meer het feit betrokken dat eiser nooit eerder een verblijfsvergunning had gehad, dat hij zijn hele leven in Iran had gewoond en dat de dochter en echtgenote pas sinds 2018 in Nederland verblijven. Ook het economische belang van de Nederlandse staat werd meegewogen.
De rechtbank stelde vast dat de belangen van het kind voldoende waren meegewogen en dat de medische stukken geen aanleiding gaven tot een andere belangenafweging. Nieuwe stellingen over een zoon werden niet in aanmerking genomen omdat deze pas ter zitting werden ingebracht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.