ECLI:NL:RBDHA:2021:11577
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van familie- en gezinsleven vanwege beëindigde relatie
Eiser heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van het uitoefenen van familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen omdat de relatie tussen eiser en zijn vriendin (referente) kort voor het primaire besluit is beëindigd. De rechtbank stelt vast dat er geen beschermenswaardig familieleven meer bestaat tussen eiser en referente.
De rechtbank overweegt dat er geen objectieve of subjectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Suriname voort te zetten. De belangenafweging is in het nadeel van eiser uitgevallen, mede omdat de kinderen jong zijn, er familie in Suriname is en eiser relatief kort in Nederland verblijft. Ook is geen sprake van een intensieve of grote afhankelijkheid tussen eiser en zijn (stief)kinderen.
Eiser voerde aan dat hij een intensief gezinsleven onderhoudt en dat de motivering van verweerder onvoldoende is, maar de rechtbank volgt dit niet. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft afgezien van het horen van eiser in bezwaar en dat de coronapandemie geen vrijstelling van het mvv-vereiste rechtvaardigt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser wordt vrijgesteld van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.