ECLI:NL:RBDHA:2021:11600
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag duurzaam verblijf burger van de Unie na beëindiging huwelijk en vertrek referent
Verzoeker, met de Pakistaanse nationaliteit, had een verblijfsrecht in Nederland als familielid van een burger van de Unie, verkregen via zijn huwelijk met een Roemeense Unieburger. Na het vertrek van zijn voormalige echtgenote uit Nederland en de ontbinding van hun huwelijk, stelde verweerder vast dat zijn verblijfsrecht per 10 april 2017 was geëindigd. Verzoeker diende een aanvraag in voor een document duurzaam verblijf burger van de Unie, die werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het verblijfsrecht van verzoeker niet kon worden voortgezet omdat het vertrek van de referent voorafging aan de echtscheiding, en dat dit geen ongerechtvaardigd onderscheid oplevert tussen gehuwden en ongehuwden.
Verzoeker voerde aan dat hij slechter werd behandeld dan ongehuwden en dat de belangenafweging onjuist was omdat hij al jaren in Europa woonde en geen beroep deed op de openbare middelen. De rechtbank vond de belangenafweging van verweerder niet onredelijk en wees erop dat verzoeker lange tijd zonder geldig verblijfsrecht in Nederland verbleef. Ook werd het beroep op schending van de hoorplicht verworpen omdat geen twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag duurzaam verblijf burger van de Unie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.