ECLI:NL:RBDHA:2021:11617
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing grensdetentie en toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige vrijheidsontneming
Eiser, die rechtmatig verblijf had in een andere EU-lidstaat, werd bij aankomst op Schiphol in bewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hoewel eiser een geldig Syrisch paspoort en een Cypriotisch verblijfsdocument overlegde, werd de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd vanwege het ingediende asielverzoek in Nederland.
De rechtbank stelt dat de maatregel aanvankelijk rechtmatig was vanwege het grensbewakingsbelang en de noodzaak om de asielaanvraag te onderzoeken. Echter, na het eerste gehoor in de asielprocedure, waarbij duidelijk werd dat eiser internationale bescherming geniet in een andere EU-lidstaat, had de detentie moeten worden opgeheven.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en oordeelt dat de voortzetting van de maatregel vanaf 1 juni 2021 onrechtmatig was. De Staat wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van €800,- voor de onrechtmatige detentie en tot vergoeding van proceskosten van €1.068,- aan de rechtsbijstandverlener.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de grensdetentie na het eerste gehoor onrechtmatig was en kent een schadevergoeding toe aan eiser.