ECLI:NL:RBDHA:2021:11670

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
26 oktober 2021
Zaaknummer
C/09/617196 / JE RK 21-2076
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 4.1.3 JeugdwetArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot bekrachtiging schriftelijke aanwijzing in jeugdbeschermingszaak

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing aan de vader betreffende de verzorging en opvoeding van een minderjarige. De minderjarige verblijft feitelijk bij de grootmoeder moederszijde, en de vader is op dat moment in hechtenis. De gecertificeerde instelling stelt dat de vader de schriftelijke aanwijzing niet opvolgt en de omgang tussen de minderjarige en de moeder belemmert.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken en behandelde de zaak met gesloten deuren. De advocaat van de vader gaf aan dat de vader zich niet tegen de schriftelijke aanwijzing verzet en niet zal verschijnen. De kinderrechter benadrukt dat de vader de kans moet krijgen om te bewijzen dat hij zich aan de schriftelijke aanwijzing houdt, maar de gecertificeerde instelling heeft kort na het geven van de aanwijzing reeds om bekrachtiging verzocht.

De rechtbank constateert dat de vader via zijn advocaat heeft laten weten zich aan de schriftelijke aanwijzing te zullen houden en dat de begeleide omgang tussen moeder en minderjarige inmiddels is opgestart. Daarom wijst de kinderrechter het verzoek tot bekrachtiging af en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing aan de vader wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/617196 / JE RK 21-2076
Datum uitspraak: 28 september 2021

Beschikking van de kinderrechter

Afwijzing bekrachtiging schriftelijke aanwijzing

in de zaak naar aanleiding van het op 30 augustus 2021 ingekomen verzoekschrift van:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering(hierna te noemen: de gecertificeerde instelling),
betreffende:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2012 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de man] ,

hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. B.C.V.J. van Leur, gevestigd te Delft,

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 2] .

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift d.d. 26 augustus 2021;
  • het e-mailbericht van de advocaat van de vader d.d. 16 september 2021.
Op 28 september 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:
- mw. [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling.
Opgeroepen en niet verschenen zijn:
  • de vader;
  • de moeder.
De advocaat van de vader heeft bij e-mailbericht van 16 september 2021 laten weten dat de vader zich niet tegen de schriftelijke aanwijzing verzet en dat hij noch de vader ter zitting zal verschijnen.

Feiten

  • [minderjarige] is erkend door de vader.
  • De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
  • [minderjarige] verblijft feitelijk bij de grootmoeder moederszijde.
  • De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 31 augustus 2021 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd van 1 september 2021 tot 1 september 2022.
  • De gecertificeerde instelling heeft op 26 augustus 2021 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . In deze schriftelijke aanwijzing is het volgende opgenomen:
- Vader houdt zich aan de vastgestelde bezoek- en omgangsregeling en werkt mee aan het plan voor het hervatten van de bezoek- en omgang tussen [minderjarige] en moeder.
- Vader stelt zich coöperatief op en stimuleert [minderjarige] op positieve wijze in het aangaan van het contact met moeder.

Verzoek

De gecertificeerde instelling heeft bekrachtiging van voornoemde schriftelijke aanwijzing verzocht. Het verzoek is, op grond van de stukken en het besprokene ter zitting, als volgt gemotiveerd. De vader verblijft op dit moment in hechtenis. Hierdoor verblijft [minderjarige] bij de grootmoeder moederszijde. Er is reeds een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootmoeder moederszijde bij de rechtbank ingediend. De vader heeft de schriftelijke aanwijzing van 26 augustus 2021 niet opgevolgd en de gecertificeerde instelling heeft haar twijfels of hij dit gaat doen. Hij belemmert de doorgang van de bezoek- en omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder. De vader doet dit onder andere door uit contact te gaan met de jeugdbeschermer en niet te reageren op een eerdere gegeven schriftelijke aanwijzing. Hierdoor werkt de vader de vastgestelde bezoek- en omgangsregeling passief tegen. De vader heeft eerder gezegd zich aan de afspraken en de schriftelijke aanwijzing te houden, maar hij handelt hier niet naar. De uitspraken die vader over de moeder doet zijn lastig voor [minderjarige] en zij komt daarmee in een loyaliteitsconflict tussen de ouders.

Beoordeling

De kinderrechter stelt voorop dat uit het bepaalde in artikel 1:263 lid 1 BW Pro volgt dat de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak een schriftelijke aanwijzing betreffende de verzorging en opvoeding van een minderjarige kan geven. De gecertificeerde instelling kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, als bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
De gecertificeerde instelling heeft de vader op 26 augustus 2021 een schriftelijke aanwijzing gestuurd en korte tijd daarna, te weten op 30 augustus 2021, een verzoek tot bekrachtiging van deze schriftelijke aanwijzing bij de rechtbank ingediend. De kinderrechter is met de gecertificeerde instelling van mening dat het belangrijk is dat de vader gestimuleerd wordt om op positieve wijze het contact tussen de moeder en [minderjarige] vorm te geven. De vader dient evenwel de kans te krijgen te laten zien dat hij zich weet te houden aan de schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter wijst in dit verband naar de parlementaire geschiedenis van artikel 1:263 BW Pro (MvT, Kamerstukken II, 2008/09, 32015, nr. 3). In het derde lid van artikel 1:263 BW Pro staat opgenomen dat de gecertificeerde instelling de schriftelijke aanwijzing ter bekrachtiging aan de kinderrechter kan voorleggen. De gecertificeerde instelling kan dit bijvoorbeeld doen indien de ouders of de minderjarige ondanks de schriftelijke aanwijzing hun medewerking blijven weigeren. Gesteld moet worden dat de vader geen kans heeft gehad om te bewijzen dat hij zich zal conformeren aan de gegeven schriftelijke aanwijzing, daar de gecertificeerde instelling zeer kort na het geven van de schriftelijke aanwijzing reeds om bekrachtiging heeft verzocht.
Bovendien blijkt uit het e-mailbericht van 16 september 2021 van de advocaat van de vader dat de vader te kennen heeft gegeven zich aan de schriftelijke aanwijzing te zullen houden. Ook is gebleken dat de begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige] inmiddels weer is opgestart. Gelet op het bovenstaande zal de kinderrechter het verzoek tot bekrachtiging van de – terecht gegeven - schriftelijke aanwijzing afwijzen.
Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
wijst af het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing d.d. 26 augustus 2021;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2021 door mr. D.G.J. Dop, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.P.M. van der Hoorn als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 25 oktober 2021.
Ingevolge artikel 807 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen deze beslissing geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.