ECLI:NL:RBDHA:2021:11720

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 januari 2021
Publicatiedatum
27 oktober 2021
Zaaknummer
20.5383
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 84 VreemdelingenwetArt. 32 VisumcodeArt. 2 Schengengrenscode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag wegens onvoldoende sociale en economische binding en COVID-19 beperkingen

Eiseres, woonachtig in Iran, vroeg op 19 februari 2020 een visum aan om haar zoon in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af vanwege onvoldoende bewijs van sociale en economische binding met Iran, waardoor niet kon worden gegarandeerd dat eiseres tijdig zou terugkeren. Daarnaast speelde de COVID-19-pandemie als tijdelijke reisbeperking een rol.

In beroep voerde eiseres aan dat zij aanvullende documenten had overgelegd, waaronder een huwelijkscontract en eigendomscontracten, die haar binding met Iran zouden aantonen. Deze documenten waren echter in het Farsi opgesteld en niet vertaald, waardoor de rechtbank ze niet kon meewegen. Tevens betwistte eiseres de weigeringsgrond op basis van de pandemie niet.

De rechtbank oordeelde dat verweerder de aanvraag terecht had geweigerd, omdat de nieuwe stukken niet bij het bestreden besluit konden worden betrokken en de pandemie een geldige reden voor weigering bleef. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende binding en geldende COVID-19 reisbeperkingen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/5383
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.N. Bouwman),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbrugge-Theodoulou).

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om haar een visum voor kort verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 4 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2021. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens is verschenen [A] , zoon van eiseres (referent).
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende overwegingen.
2. Eiseres woont in Iran en heeft op 19 februari 2020 een aanvraag gedaan voor een visum voor verblijf in Nederland. Eiseres wil hier haar zoon (referent) bezoeken.
3. Verweerder heeft de visumaanvraag afgewezen, omdat niet aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een visum is voldaan. Volgens verweerder heeft eiseres onvoldoende aangetoond dat zij een zodanige sterke sociale en economische binding heeft met Iran, dat zij op tijd zal terugkeren. Verweerder kan daarom niet vaststellen dat eiseres Nederland daadwerkelijk weer zal verlaten vóór het verstrijken van de visumtermijn. [1] Verweerder heeft de visumaanvraag ook afgewezen, omdat door de COVID-19-pandemie tijdelijke beperkingen gelden ten aanzien van niet-essentiële reizen naar de Europese Unie ter bescherming van de volksgezondheid. [2]
4. Eiseres voert in beroep aan dat zij stukken heeft verzameld waarmee zij alsnog heeft aangetoond dat zij voldoet aan de vereisten voor een visum. Zij overlegt in beroep diverse documenten, waaronder een huwelijkscontract, contracten van haar huis en van de winkel van haar echtgenoot. Deze documenten zijn in de Iraanse taal opgesteld. Volgens eiseres blijkt uit deze stukken dat zij voldoende sociale en economische binding heeft met Iran zodat tijdige terugkeer is gewaarborgd.
5. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat het bezwaar reeds kennelijk ongegrond was vanwege de bedreiging die eiseres vormt voor de volksgezondheid en hij daarom niet was gehouden om in het bestreden besluit inhoudelijk in te gaan op de gronden van bezwaar. De situatie van de dreiging voor de volksgezondheid duurt nog immer voort zonder dat bekend is wanneer de ingestelde reisbeperkingen opgeheven gaan worden.
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres de argumenten in het bestreden besluit inhoudelijk niet heeft betwist. Zij heeft in beroep slechts nieuwe, onvertaalde, documenten ingebracht waaruit moet blijken dat zij aan de voorwaarde van het hebben van een voldoende sociale en economische binding met Iran is voldaan. Ook tegen de afwijzingsgrond over de bedreiging van de volksgezondheid zijn geen beroepsgronden ingediend. De rechtbank beoordeelt die afwijzingsgrond daarom niet.
7. De rechtbank kan de in beroep over gelegde documenten niet bij de beoordeling van het bestreden besluit betrekken. De stukken dateren van na het bestreden besluit, zodat verweerder die stukken niet bij zijn besluit heeft kunnen betrekken. Bovendien zijn de Iraanse stukken niet voorzien van een officiële en gelegaliseerde vertaling. De rechtbank kan daarom op basis van de inhoud van die stukken geen beslissing nemen.
8. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder de visumaanvraag terecht heeft afgewezen, omdat eiseres haar sociale en economische binding met Iran onvoldoende heeft aangetoond en omdat niet is betwist dat het visum geweigerd kan worden omdat eiseres ten tijde van het bestreden besluit een bedreiging voor de volksgezondheid vormde.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2021 door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Op grond van artikel 84, onder b, van de Vreemdelingenwet staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 32, eerste lid, onder b) van de Visumcode.
2.Artikel 32, eerste lid, onder a) vi van de Visumcode en artikel 2, lid 21, van de Schengengrenscode.