ECLI:NL:RBDHA:2021:11720
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag wegens onvoldoende sociale en economische binding en COVID-19 beperkingen
Eiseres, woonachtig in Iran, vroeg op 19 februari 2020 een visum aan om haar zoon in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af vanwege onvoldoende bewijs van sociale en economische binding met Iran, waardoor niet kon worden gegarandeerd dat eiseres tijdig zou terugkeren. Daarnaast speelde de COVID-19-pandemie als tijdelijke reisbeperking een rol.
In beroep voerde eiseres aan dat zij aanvullende documenten had overgelegd, waaronder een huwelijkscontract en eigendomscontracten, die haar binding met Iran zouden aantonen. Deze documenten waren echter in het Farsi opgesteld en niet vertaald, waardoor de rechtbank ze niet kon meewegen. Tevens betwistte eiseres de weigeringsgrond op basis van de pandemie niet.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de aanvraag terecht had geweigerd, omdat de nieuwe stukken niet bij het bestreden besluit konden worden betrokken en de pandemie een geldige reden voor weigering bleef. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende binding en geldende COVID-19 reisbeperkingen.