ECLI:NL:RBDHA:2021:11724
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van consignatiediensten versus aanwezigheidsdiensten bij defensiepersoneel
Eisers, beiden werkzaam als speurhondengeleider bij Defensie, verzochten om een hogere herleidingsfactor voor hun consignatiediensten, stellende dat deze feitelijk aanwezigheidsdiensten betreffen vanwege de noodzaak om binnen een uur op Schiphol te zijn en het verblijf op de legeringskamer.
Verweerder handhaafde de herleidingsfactor van 1/10 en stelde dat eisers bij sollicitatie instemden met consignatiediensten, waarbij het verblijf op de legeringskamer een redelijke voorziening is. De rechtbank concludeerde dat de diensten inderdaad consignatiediensten zijn en geen aanwezigheidsdiensten, mede gelet op de expliciete instemming van eisers en de aard van de werkzaamheden.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de verzoeken om terugwerkende kracht ongegrond zijn. Wel werd verweerder veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500 per eiser wegens een beperkte overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure.
De rechtbank wees de beroepen ongegrond, veroordeelde verweerder tot betaling van een schadevergoeding en proceskosten aan eisers en bevestigde daarmee het standpunt van verweerder over de aard van de consignatiediensten.
Uitkomst: De rechtbank wees het beroep af en veroordeelde verweerder tot een beperkte schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.