ECLI:NL:RBDHA:2021:11789
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- S.J. Hoekstra - van Vliet
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot wijziging GVM-status en plaatsing gedetineerde
De rechtbank Den Haag behandelde een kort geding waarin een gedetineerde, veroordeeld voor medeplegen van moord, vorderde dat zijn plaatsing op de Afdeling Intensief Toezicht (AIT) en zijn status op de GVM-lijst met hoog risico ongedaan zouden worden gemaakt of gewijzigd.
De gedetineerde was sinds 2016 in detentie en sinds 2019 op de GVM-lijst geplaatst met een hoog risicoprofiel. Eerder was hij geplaatst op een afdeling voor beheersproblematische gedetineerden (BPG), maar die beslissing werd vernietigd door de RSJ wegens onvoldoende onderbouwing. Een nieuwe selectiebeslissing leidde tot zijn plaatsing op de AIT.
De rechtbank oordeelde dat de vordering tot wijziging van de plaatsing op de AIT niet ontvankelijk was, omdat er een andere rechtsgang bestaat om tegen die beslissing op te komen. De vordering tot wijziging van de GVM-status was wel ontvankelijk, maar werd afgewezen omdat het Operationeel Overleg (OO) een ruime beoordelingsvrijheid heeft en de Staat voldoende had onderbouwd dat het risico op liquidatiegevaar en voortgezet crimineel handelen de hoge GVM-status rechtvaardigen.
De rechtbank concludeerde dat de Staat aannemelijk had gemaakt dat het opsporingsbelang het niet toeliet om meer informatie te verstrekken en dat de eerdere ernstige veroordelingen en het gedrag in detentie het risico onderbouwen. De vordering werd afgewezen en de gedetineerde werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering tot wijziging GVM-status en plaatsing op AIT afgewezen; eiser niet-ontvankelijk in vordering tot wijziging plaatsing AIT.