ECLI:NL:RBDHA:2021:1179
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkheid asielaanvraag op grond van Dublinverordening met betrekking tot Polen
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen op grond van de Dublinverordening, waarbij Polen als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen.
Eiser voerde aan dat er sprake is van ernstige tekortkomingen in de Poolse opvang en asielprocedure, waaronder discriminatie en bedreigingen door extreemrechtse groeperingen, en dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Polen onder druk staat. Tevens stelde hij dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn familiebanden in Nederland en dat de aanvraag aan Nederland had moeten worden toegewezen.
De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling in Polen. Ook is niet gebleken dat eiser zich tot Poolse autoriteiten heeft gewend. De familiebanden rechtvaardigen geen uitzondering op de overdracht. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard en de overdracht aan Polen blijft gehandhaafd.