ECLI:NL:RBDHA:2021:11834

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2021
Publicatiedatum
29 oktober 2021
Zaaknummer
AWB 20/7393
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen hoogte dwangsom verblijfsvergunning

Eiser diende op 8 april 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na het niet tijdig beslissen op deze aanvraag stelde eiser samen met zijn gezin beroep in. De rechtbank Groningen verklaarde dit beroep gegrond en legde een dwangsom op aan de Staatssecretaris. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde deze uitspraak deels en wijzigde de termijn en hoogte van de dwangsom.

Naar aanleiding hiervan stelde de Staatssecretaris een dwangsom van €1.442,- vast. Eiser stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, stellende dat de dwangsom te laag was en dat hij recht had op een hogere dwangsom van €1.200,-.

De rechtbank oordeelde dat de hoogte van de nadere dwangsom geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en derhalve geen bestuursrechtelijk beroep mogelijk is. De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de hoogte van de dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/7393

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2021 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 8 april 2019 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 29 oktober 2019 heeft eiser, mede namens zijn echtgenote en kinderen, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.
Bij uitspraak van 4 februari 2020 (NL19.25928, NL29.25935, NL19.25939 en NL19.25940) van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, zijn de door eiser, zijn echtgenote en kinderen ingestelde beroepen gegrond verklaard. De rechtbank heeft bepaald dat verweerder een dwangsom heeft verbeurd van € 1.442,- voor de aanvragen van eiser en zijn echtgenote. Ook heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen twee weken een besluit te nemen op de aanvragen, onder straffe van een dwangsom.
Op 8 juni 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd.
Bij uitspraak van 15 juli 2020 (202001512/1/V1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gegrond verklaard en de uitspraak vernietigd voor zover deze verweerder opdraagt binnen twee weken een besluit te nemen en voor zover deze heeft vastgesteld dat verweerder per aanvraag een dwangsom heeft verbeurd en bij overschrijding zal verbeuren. De ABRvS heeft de termijn vervangen in zoverre dat verweerder binnen acht weken na de uitspraak het eerste gehoor had moeten afnemen, en binnen acht weken een besluit op de aanvraag had moeten bekendmaken. Verder heeft de ABRvS de dwangsom vervangen, zodat verweerder aan eiser en zijn echtgenote samen een dwangsom van € 1.442,- heeft verbeurd. Daarbij heeft de ABRvS een dwangsom opgelegd van € 100,- per dag dat die termijn overschreden wordt tot een maximum van € 15.000,-.
Bij besluit van 27 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder naar aanleiding van de uitspraak van de ABRvS van 15 juli 2020 een dwangsom vastgesteld ter hoogte van € 1.442,-.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2021. Partijen zijn, met kennisgeving, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser voert aan dat verweerder, gelet op de uitspraak van de ABRvS, in aanvulling op de dwangsom van € 1.442,-, een dwangsom van € 100,- per dag heeft verbeurd van 27 mei 2020 tot 8 juni 2020. Eiser meent daarom dat verweerder de dwangsom te laag heeft vastgesteld en stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op een rechterlijke dwangsom van € 1.200,-.
2. De rechtbank is van oordeel dat eiseres zich voor de hoogte van de nadere dwangsom moet wenden tot de burgerlijke rechter. Uit de uitspraak van 1 december 2020 van de ABRvS volgt dat het standpunt dat verweerder inneemt over de verschuldigdheid en hoogte van een nadere dwangsom, zoals bedoeld in artikel 8:55d, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen publieke rechtshandeling is. [1] Het is daarom geen besluit waartegen eiser in beroep kan gaan. De bestuursrechter is daarom niet bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
3. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank zich onbevoegd om van het onderhavige beroep kennis te nemen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 1 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2830.