ECLI:NL:RBDHA:2021:11836

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2021
Publicatiedatum
29 oktober 2021
Zaaknummer
AWB 20/7447
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 6:16 AwbArt. 73 lid 2 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit verblijfsvergunning studie

Verzoekster had een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'studie' ingediend, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen bij besluit van 15 september 2019. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

Tijdens de zitting op 4 februari 2021 waren partijen niet aanwezig. De Staatssecretaris gaf aan zich niet te verzetten tegen het verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overwoog dat de werking van het primaire besluit niet automatisch wordt geschorst bij bezwaar en dat de Staatssecretaris niet bevoegd is om de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten.

Gezien het feit dat partijen het erover eens zijn dat uitzetting van verzoekster moet worden voorkomen, besloot de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen. De uitzetting wordt verboden tot vier weken na de beslissing op het bezwaar. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van verzoekster.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en uitzetting van verzoekster verboden tot vier weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/7447

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2021 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.A.P.F. Hoens),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘studie’ afgewezen.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2021. Partijen zijn, met kennisgeving, niet verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan – onder meer – indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Bij schrijven van 8 januari 2021 heeft verweerder medegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van hetgeen in het verzoekschrift is verzocht.
3. De voorzieningenrechter overweegt dat de werking van het primaire besluit ingevolge artikel 6:16 van Pro de Awb in samenhang met artikel 73, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet geschorst wordt, ook niet indien tegen dat besluit bezwaar is gemaakt. Tevens overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder ingevolge de Awb noch de Vw zelf de bevoegdheid heeft de rechtsgevolgen van het primaire besluit – met de aanzegging aan verzoekster Nederland te verlaten – op te schorten.
4. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat van uitzetting van verzoekster behoort te worden afgezien, bestaat aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).
6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

BeslissingDe voorzieningenrechter:

-
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- verbiedt verweerder maatregelen te treffen tot verwijdering of uitzetting van verzoekster uit Nederland tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoekster te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 534,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.