Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
verzoeker,
ABR Infra Services B.V.,gevestigd te Den Hoorn,
verweerster,
Rechtbank Den Haag
De verzoeker was in dienst bij ABR Infra Services op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 6 december 2020 van rechtswege eindigde. Verzoeker diende een verzoek in tot betaling van een transitievergoeding en achterstallig loon. Dit verzoek werd echter niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzoek te laat werd ingediend, na het verstrijken van de drie maanden vervaltermijn die geldt voor transitievergoeding.
Daarnaast stelde ABR Infra Services dat ook de overige vorderingen niet via een verzoekschrift konden worden ingediend. De kantonrechter oordeelde dat de overige vorderingen niet via de verzoekschriftenprocedure kunnen worden behandeld en dat de zaak daarom moet worden voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure.
De kantonrechter verwees de zaak naar de rolzitting van 17 november 2021, waarbij partijen de gelegenheid krijgen hun stellingen aan te passen aan de dagvaardingsprocedure. De beschikking werd uitgesproken op 20 oktober 2021 door kantonrechter L.C. Heuveling van Beek.
Uitkomst: Het verzoek tot betaling van de transitievergoeding wordt niet-ontvankelijk verklaard en de zaak wordt verwezen naar de dagvaardingsprocedure.