ECLI:NL:RBDHA:2021:11982
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek voorzieningenrechter in kort geding over opschorting onderzoek aangifte
Verzoekster heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzieningenrechter die het kort geding behandelde waarin zij vorderde dat het Openbaar Ministerie het onderzoek naar haar aangifte opschort totdat het Gerechtshof in hoger beroep beslist. Verzoekster vreesde vooringenomenheid omdat het Amsterdamse parket ook een tegenaangifte behandelt die verband houdt met haar zaak.
De wrakingskamer beoordeelde drie gronden: ten eerste dat verzoekster geen gelegenheid kreeg bezwaar te maken tegen een cameraploeg die beeld- en geluidsopnamen maakte; ten tweede en derde dat de voorzieningenrechter vragen stelde die zouden duiden op het irrelevante achten van haar vordering. De kamer concludeerde dat verzoekster en haar advocaat voldoende gelegenheid hadden om bezwaar te maken, ondanks een misverstand over communicatie met voorlichting.
De vragen van de rechter werden gezien als onderdeel van zijn taak om de vordering te onderzoeken en niet als blijk van vooringenomenheid. De wrakingskamer vond geen zwaarwegende aanwijzingen voor partijdigheid of schijn daarvan en wees het verzoek af. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.